Title: Lord Lister No. 0344: Het raadsel van Harrow Road
Author: Kurt Matull
Theo von Blankensee
Felix Hageman
Release date: April 23, 2026 [eBook #78532]
Language: Dutch
Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78532
Credits: The Online Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net for Project Gutenberg
☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜
UITGAVE VAN DEN ROMAN-, BOEK- EN KUNSTHANDEL—SINGEL 326,—AMSTERDAM.
Alleenvertegenwoordigers voor België: Bestelhuis voor den Boek- en Dagblad handel.

Het was omstreeks twee uur in den nacht.
De maan hield zich schuil achter een dikke wolkenbank, waaruit gestadig een trage regen neerdruppelde, die de straten van Londen nog vuiler maakte, dan zij gewoonlijk reeds waren.
Paddington, een der deftige Westelijke wijken van de wereldstad, lag daar rustig, en maar zelden hoorde men de stappen der voorbijgangers, die zich haastig huiswaarts spoedden, met moeite hun parapluie ophoudend, tegen de gure rukwinden.
Langs de Edgeware Road liepen met haastigen stap twee heeren, in lange regenmantels gehuld, en den vilten hoed diep in de oogen getrokken.
Wanneer hun gelaat even beschenen werd door het licht van een straatlantaarn, dan kon men zien, dat de eene een krachtig geteekend gelaat had met scherpe trekken en doordringende grijze oogen, terwijl zijn metgezel, vrij wat kleiner, blond was en blauwe oogen had.
Zonder te spreken stapten zij voort, zich blijkbaar niet bekommerend om den regen, die steeds harder uit den donkeren hemel begon neer te storten.
Op den hoek van de Harrow Road aangekomen sloegen zij deze breede straat in en volgden haar over een geruimen afstand, tot zij den hoek van Maide Hill hadden bereikt.
Daar verhief zich een vrij groot, nog nieuw gebouw, met een hardsteenen pui en dat van den breeden weg gescheiden was door een kleinen voortuin, waar door heen een klinkerpad naar de huisdeur liep.
Even boven de straat had het huis een zestal kelderramen, die van vuistdikke tralies waren voorzien.
Naast de huisdeur bevond zich een koperen plaat, waarop met roode letters te lezen stond:
AUSTIN GRAMMONT
Commissionnair in effecten
BANKZAKEN ENGROS EN EN-DETAIL.
[2]
Aan den kant van Maide Hill bezat het huis eveneens een deur, en verderop was er nog een tweede, maar deze behoorde tot een muur van omstreeks twee Meter hoogte, die een grooten tuin omgaf.
Over dezen muur heen kon men het dak zien van de garage, die dicht bij den achtermuur geplaatst werd.
Het scheen een oogenblik of de beide heeren wilden doorloopen, maar zij sloegen snel Maide Hill in, en het volgende oogenblik waren zij verdwenen, alsof zij eensklaps door den grond waren gezonken.
Zij hadden echter niets anders gedaan, dan gebruik gemaakt van de kleine tuindeur, waarvan zij blijkbaar een sleutel hadden.
En toch hoorden zij hier blijkbaar niet thuis, want in plaats van dadelijk het huis aan de achterzijde binnen te gaan, stonden zij geruimen tijd stil, een weinig voorovergebogen en ingespannen luisterend.
Wie waren deze beide heeren, die op zulk een ongewoon tijdstip en langs zulk een ongewonen weg het huis van den bankier Grammont binnengingen?
De grootste, de man met het strakke, scherp geteekende gelaat, was John Raffles, de gentleman-inbreker, de langgezochte vijand van Scotland Yard en zijn metgezel was zijn trouwe vriend Charly Brand.
En spoedig genoeg zal uit het vervolg blijken, wat de beide onafscheidelijke vrienden hier kwamen uitrichten.
Toen zich in het groote huis volstrekt niets liet hooren, gingen zij, behoedzaam over den grasrand van een der tuinpaden loopend, naar de achterzijde van het huis, en stonden daar wederom even stil.
Nu vroeg Charly Brand, zoo zacht dat het bijna niet te verstaan was:
—Hoe staat het eigenlijk met het hondje van onzen vriend Grammont? Ik meende dat het een zeer waakzaam dier was?
—Dat is het ook, en als ik een vreemdeling was, zou het beest zeker vreeselijk te keer gaan en ons verraden. Maar ik heb in mijn hoedanigheid als Lord William Aberdeen bij ieder bezoek, dat ik aan Grammont bracht, de gelegenheid te baat genomen om goede maatjes met Sherif te worden. Het dier ontvangt mij altijd kwispelstaartend, zonder eenig geluid te geven.
Juist toen Raffles dit gezegd had, liet een naburige kerkklok een enkelen galmenden slag hooren.
Het was halfdrie.
Raffles verloor geen tijd, maar zette zich aanstonds aan het werk.
Van onder zijn mantel haalde hij een kleine lederen tasch te voorschijn, die een aantal instrumenten bevatte, alle aan zijn eigen uitvindersvernuft ontsproten en in flanel gewikkeld, opdat zij geen geluid zouden geven bij het dragen.
Eén daarvan was een vlijmscherpe beitel, met eenigszins gekromd lemmet, hetwelk hij in het paneel van de achterdeur zette, en hieruit vervolgens een stuk sneed; groot genoeg om er de hand door te kunnen steken.
Het eerste, wat hij deed, was den draad van een alarminrichting door te snijden, die onder het bereik van zijn hand langs den deurpost liep.
Vervolgens trok hij een paar zware grendels terug, en tenslotte draaide hij den sleutel in het slot van de deur om.
Een oogenblik later waren de beide mannen binnengedrongen.
Raffles had dit alles volkomen op den tast verricht, maar nu zij binnenshuis waren, zette hij eerst het uitgesneden stuk van het paneel weder in de deur, en daarop maakten de beide mannen licht met behulp van hun zaklantaarns.
Zij stonden in de met blauwe tegels geplaveide gang.
In het midden daarvan begon de diensttrap, naar de bediendenkamer, waarvan de deur half aanstond.
Er lag geen looper op de trap, maar niettemin slopen de beide mannen volkomen geruischloos naar boven, en bereikten zoo de eerste verdieping.
Zij stonden op een portaal met een dikken cocos looper bedekt, waarop twee deuren uitkwamen.
Charly wierp Raffles een vragenden blik toe, maar deze schudde ontkennend het hoofd en zeide, na zijn mond vlak bij het oor van den ander te hebben gebracht:
—De rookkamer en de kleine biljartzaal.
—Waar is ergens de werkkamer?
—Aan het einde van deze gang, en daar staat ook de brandkast, zooals ik je gezegd heb, maar wij zijn in het midden van den zomer en het zou ons veel te lang ophouden, om dat zware meubelstuk open te breken of open te smelten. Over een uur is het klaarlichte dag.
—Maar hoe komen wij er dan in? [3]
—De sleutels heeft Grammont in zijn slaapkamer, in de lade van het nachtkastje. Wij zullen het oude, beproefde middel moeten toepassen en een weinig bedwelmend gas in het slaapvertrek spuiten. Het is een kwestie van vijf minuten. Je hebt immers alles bij je?
—Ja, natuurlijk. Waar slapen de bedienden ergens?
—Eén slaapt in het sousterrain en twee op de bovenste verdieping. De huishoudster heeft een kamer op de derde verdieping.
—En het hondje?
—Dat schijnt nog al ongeregelde gewoonten te hebben. Het slaapt nu eens hier, dan eens daar! Ik mag Sherif graag leiden, maar ik wilde toch voor alle zekerheid, dat wij hem niet tegen het lijf liepen.
—En de slaapkamer van Grammont?
—Een verdieping hooger, ga maar met mij mede.
Zij sloegen een hoek van de gang om en bestegen opnieuw een trap, maar ditmaal een breede, fraai bewerkte, van zwaar eikenhout.
Deze trap was met een dikken Smyrna looper belegd, en de voetstappen van de beide mannen waren volkomen onhoorbaar.
Na het schijnsel van hun electrische lampen zoover te hebben gedempt, dat zij er nog juist even bij konden zien, slopen de beide mannen naar een hooge, wit gelakte deur, met fraai snijwerk versierd.
Charly begreep, dat het moeilijkste deel van de onderneming thans stond aan te breken. Dit was zeker de slaapkamer.
Raffles bukte zich, bracht zijn oog voor het sleutelgat en kwam dadelijk met een verbaasd gelaat weder overeind.
—Wat is er? vroeg Charly een weinig ongerust.
—Wat er is! Er brandt geen licht in de kamer!
—Wat zou dat dan?
—Wel, ik weet volkomen zeker dat Grammont steeds gewend is bij licht te slapen. Hij zou in het donker geen oog kunnen dicht doen, zoo heeft hij herhaaldelijk in gezelschap verzekerd.
—Hij zal toch niet uit de stad zijn? vroeg Charly.
—Welneen, om half elf was hij nog in de Windsor Club. Er was toen geen sprake van, dat hij de stad zou uitgaan. Zijn gewoonten zijn zeer geregeld, hij had om half één uiterlijk in bed moeten liggen.
—Een galant avontuurtje wellicht?
—Ik zeg niet, dat het onmogelijk is, maar Grammont was er juist de man naar om dat ten aanhoore van alle leden van de Windsor Club te gaan uitbazuinen. Hij is niet zoo bijzonder bescheiden, onze goede vriend Grammont. Hoe dan ook, ik geloof niet dat hij op het oogenblik in deze kamer is.
—Maar daaromtrent dienen wij toch zekerheid te hebben, hernam Charly zacht fluisterend.
—Natuurlijk! Als hij binnen is, dan is de deur stellig op slot gedraaid, als ik haar kan openen, dan kunnen wij er wel zeker van opaan, dat hij niet thuis is.
En met deze woorden legde Raffles zijn hand op de kruk van de deur, en begon haar met oneindig geduld, en zeer langzaam, open te draaien.
Er verliepen bijna volle vijf minuten, en toen week de deur naar binnen open.
Raffles maakte haar, na zijn revolver ter hand te hebben genomen, weder dicht en op het eerste gezicht zagen de beide vrienden, dat het groote mahoniehouten bed in het midden van de kamer onbeslapen was.
De beide mannen keken elkander even aan en toen zeide Charly:
—Ik geloof, dat wij nu wel rechtsomkeert kunnen maken, natuurlijk heeft hij de sleutels van zijn brandkast in zijn zak.
—Dat is nog zoo zeker niet, maar in ieder geval is de kans groot. Ik vrees, beste Charly, dat het een verloren nacht zal zijn, want wij hebben werkelijk geen tijd meer om de kast met geweld te openen. Het is een verbazend zwaar en groot meubel, en ik zou op zijn minst anderhalf uur noodig hebben om er een gat in te krijgen, en dan zou nog alles moeten meeloopen. Ik moet je zeggen, dat mij die uithuizigheid van Austin Grammont alles behalve aanstaat. Wat drommel, waarom heeft hij mij niet van te voren gewaarschuwd?
—Ja, dat was hij eigenlijk jegens zijn Vice President van de Windsor-Club half en half verplicht, zeide Charly spottend.
—Nu bij gebrek aan brood, eet men korstjes van pasteien, zeide Raffles schouderophalend. Er zal in ieder geval wel iets in de secretaire te vinden zijn. Een paar duizend pond is wel niet veel, maar het is beter dan niets.
Op dit oogenblik deed een zacht geritsel hem plotseling [4]ophouden, en met de hand aan den palm van zijn revolver roerloos stilstaan.
Het geritsel kwam van den kant van de groote kleerenkast, en het volgende oogenblik kwam kwispelstaartend een kleine foxterriër aanloopen, die zich met een geweldigen geeuw behaaglijk uitrekte en toen naar Raffles toekwam als naar een ouden kennis.
Hij ging tegen hem opstaan, en Raffles streelde het dier over den schranderen kop en zeide op zachten toon:
—Ga maar weer slapen, Sherif, als een brave hond.
Het dier scheen hem zeer goed te begrijpen, en trippelde kalm weer naar zijn warm plekje in den hoek bij de kleerenkast, waar hij zich rustig neervlijde en verder geen notitie meer nam van de beide indringers.
Raffles en Charly verlieten het vertrek, waar zij niets meer te zoeken hadden, daalden de trap weder af en traden de groote werkkamer van den bankier binnen, waar in een hoek half in den muur gemetseld, een brandkast van bijna twee Meter hoogte stond.
—Wat een gevaarte! kwam Charly bewonderend.
—O, wij zullen het ding nog wel eens aan den tand voelen, hernam Raffles glimlachend.
—Wanneer de nachten wat langer worden en ik er wat meer tijd aan kan gaan besteden, zullen wij dit huis nog wel met een bezoek vereeren. Grammont is mij, over het algemeen genomen, volstrekt niet onsympathiek, maar de man is veel te rijk.
Onder het spreken was hij op een fraai schrijfbureau toegetreden, en in een oogwenk hadden zijn vaardige vingers het slot van de kap verbroken en de lade geopend.
Zijn vermoeden bleek juist te zijn, en in een der stevig gesloten laden vond hij een pakje bankbiljetten van tien pond, dat hij zonder het zelfs te tellen, in den binnenzak van zijn jas liet glijden.
Hij liet zijn blikken door het vertrek dwalen, nam hier en daar als terloops een paar fraaie gouden voorwerpen van schoorsteen of tafeltje, en liet ze nonchalant in de tasch glijden, welke Charly hem geopend voorhield.
Daarop raadpleegde hij zijn horloge.
Het was juist drie uur.
—Kom, mijn jongen, wij zullen dit huis weder verlaten, waar wij zoo weinig welwillend ontvangen zijn, zeide Raffles. Een volgende maal beter.
De twee vrienden verlieten het vertrek, sloten de deur achter zich, gingen de bediendentrap weder af en stonden een oogenblik later weer in den tuin.
Voor het achterlaten van een voetspoor behoefden zij niet bevreesd te zijn, want het regende nog altijd hard en het hemelwater zou spoedig alle sporen hebben uitgewischt.
In het Oosten begon de lucht zich te tinten met een lichter grijs, toen zij weder door de tuindeur gingen, welke Raffles opnieuw geopend had met den sleutel, dien hij zelf naar een wasafdruk van het slot had vervaardigd.
Een oogenblik bleven zij staan luisteren, maar toen zich niets liet hooren, dan heel in de verte de stap van een patrouilleerenden agent, sloegen zij den kraag van hun jassen op en verlieten het terrein van hun nachtelijke werkzaamheden, om pas een heel eind verder, aan het begin van de Oxford Street, een huurauto aan te roepen, die hen tot op honderd meter zou brengen van het fraaie huis in de Regentstreet, hetwelk Raffles onder den naam van Lord Aberdeen bewoonde. [5]
De avondbladen van den volgenden dag behelsden een vrij uitvoerig relaas van de inbraak, en Raffles en Charly lazen het met de belangstelling van een acteur voor de kritiek eener première.
En zij lazen het tevens met een verbazing, die groeide, naarmate zij verder gingen.
Dit geschiedde in de groote conversatiezaal van het Cecil-hotel, waar zij gedineerd hadden.
Raffles had een nummer van de „Times” genomen, Charly had zich een Daily Mail laten brengen en in dit laatste blad las de jongeman het volgende verslag van de inbraak:
—In den afgeloopen nacht heeft er weder een uiterst brutale inbraak plaats gehad, in het nieuwe huis van den heer Austin Grammont, den bekenden bankier, hetwelk deze niet lang geleden in Paddington, Harrow Road 39, heeft laten bouwen.
De inbrekers, want naar alle waarschijnlijkheid zijn er twee geweest, zijn langs de tuinzijde binnengekomen, en hebben zich toegang tot het huis weten te verschaffen, door een stuk uit een paneel van de achterdeur te zagen, en door de opening heen de knippen terug te schuiven en het slot om te draaien.
Tevens hebben zij de draden van het alarmsignaal doorgesneden.
De inbrekers hebben echter niet getracht de geweldig groote brandkast aan te tasten, voor welk werk zij zeker zijn teruggeschrikt en zij hebben zich tevreden moeten stellen met den inhoud van het schrijfbureau, waaruit zij ongeveer elfhonderd pond sterling aan bankpapier konden stelen, en met een aantal gouden voorwerpen tot een gezamenlijke waarde van zeshonderd pond.
Op welk tijdstip de inbraak heeft plaats gehad, is niet nauwkeurig na te gaan, maar in ieder geval moet het na één uur geweest zijn, want op dat tijdstip was de butler van den heer Grammont, Henry Dayton, nog wakker.
Toen begaf hij zich pas naar bed, daar hij meende, niet langer op zijn meester behoeven te wachten.
De heer Grammont zelf verklaarde aan den detective, dat hij omstreeks half twee was thuisgekomen, en zich toen dadelijk ter ruste had begeven, en dat hij weliswaar een half uur later eenig gerucht had meenen te hooren, maar daaraan geen beteekenis had gehecht, en opnieuw was ingeslapen.
De bedienden zelven hebben volstrekt niets gehoord, maar wat het vreemdste is, ook de foxterriër, anders een zeer waaksch dier, dat bij het minste gerucht aanslaat, heeft in het geheel geen teeken van leven gegeven.
De politie stelt een grondig onderzoek in, maar zij koestert slechts geringe hoop, dat zij de daders zal kunnen vatten, want deze hebben niet het minste spoor achtergelaten. Zij droegen blijkbaar overschoenen, welke zij voor de achterdeur hebben uitgedaan en binnenshuis is niet den minsten afdruk van hand of voet gevonden.
Daar de conversatiezaal op dit oogenblik bijna geheel verlaten was, had Charly dit korte verslag op zachten toon aan Raffles kunnen voorlezen.
Toen hij gereed was, zeide Raffles:
—De „Daily Mail” noemt het gedrag van Sherif het vreemdst. Maar er is één ding, dat nog veel vreemder is, en dat is dat Grammont, die niet thuis was, ons gehoord heeft. [6]
—Dat is zeker al heel eigenaardig! Maar is het niet mogelijk, dat hij ergens anders is geweest, in een ander vertrek van het huis?
—Dat is eenvoudig ondenkbaar, Charly, om verschillende redenen. Als een zakenman om twee uur ’s nachts niet in zijn bed ligt, dan kan men hem alleen maar in zijn werkkamer vinden, of met vrienden in de speelkamer. Maar in het eerste vertrek was hij niet, en in het tweede kan hij niet geweest zijn, want de speelkamer is daar vlak naast en wij hadden dan natuurlijk moeten hooren lachen en praten. Je zult je echter herinneren, dat het doodstil was in huis, en dan nog iets, als Grammont dan in een andere kamer geweest is, en ons gehoord heeft, waarom is hij ons dan niet komen overvallen? Hij is een man van even veertig jaar en zeker geen lafaard. Ten slotte, hij zegt, dat hij wakker is geworden en weer ingeslapen.
—Dat is waar, mompelde Charly, terwijl hij verbaasd voor zich uitstaarde, dat is waar! Wel, dan begrijp ik er niets van!
—Ik moet je eerlijk zeggen, dat ik het ook niet goed begrijp. Welke reden kan Grammont voor den drommel hebben, om een verklaring af te leggen, waaruit blijkt, dat hij thuis was, terwijl wij heel positief weten, dat dat niet het geval is geweest?
Charly haalde de schouders op en antwoordde:
—Ik kan je daar geen antwoord op geven, het is mij volkomen duister!
—Mij dunkt, dat daar maar één verklaring voor mogelijk is. Grammont is ergens geweest, hetgeen hij tot iederen prijs geheim wenscht te houden, en daarom heeft hij maar gezegd, dat hij eenig gerucht gehoord heeft. Hij kan onmogelijk weten, dat wij in de slaapkamer zijn geweest, en daarom gelooft hij, dat hij ongestraft deze leugen kan vertellen. Maar waarom liegt de man? Welke reden kan hem daartoe bewogen hebben?
De beide vrienden bleven eenigen tijd zwijgend tegenover elkaar zitten in diep nadenken verzonken, en toen hernam Raffles:
—Zoo zal het wel zijn, Grammont is ergens geweest, en dat wil hij liever niet weten voor de buitenwereld. Het moet den schijn hebben, alsof hij den nacht in zijn bed heeft doorgebracht en slechts even na één uur is thuisgekomen. Nu, misschien brengen de volgende edities wel een nadere opheldering.
Maar in deze verwachting zou Raffles bedrogen worden.
De late avondédities behelsden niets omtrent de inbraak, geen enkel woord, misschien wel op verzoek van de politie.
Maar daarentegen las Raffles een bericht, dat hem zeer trof, ofschoon het volstrekt niets te maken had met de inbraak en alleen maar, omdat het feit, waarop het bericht betrekking had, zich op zeer korten afstand had toegedragen bij het huis in de Harrow Road.
Het blad, waarin het bericht voorkwam, was de „Daily Telegraph” en het luidde als volgt:
GEHEIMZINNIGE MOORD!
Een griezelige ontdekking.
In den afgeloopen nacht is er in Paddington een geheimzinnige misdaad gepleegd, waaromtrent de politie nog volkomen in het duister tast en die groote opschudding heeft gewekt in de geheele buurt.
Een paar machinisten begaven zich hedenmorgen omstreeks vier uur naar hun machineloods, staande in het spoorwegdepôt, tusschen de Harrow Road en Bishop Road.
Zij hadden dienst en wilden hun machine uit de loodsen halen.
Het depôt is een zeer groot vierkant, doorkruist met een groot aantal spoorlijnen, die naar de machineloodsen voeren, of naar een der talrijke werkplaatsen.
Er worden veel wagons en ook machines hersteld en verder dient het depôt voor het bewaren van oude en nieuwe wagons en goederenwagens, waarvan er zich op dit oogenblik honderden bevinden.
Aan de zijde van Harrow Road is het terrein slechts door een laag ijzeren hek van den openbaren weg afgesloten, terwijl het aan de drie andere zijden omgeven is door een hoogen muur.
De machinisten hadden hun loods bijna bereikt, toen zij in de halve schemering iets wits meenden te ontdekken, onder een goederenwagen.
Zij traden naderbij en deinsden met een kreet van afschuw en schrik achteruit.
Daar—tusschen de rails—lag een menschelijk lichaam, zonder eenige bedekking. [7]
De beide mannen vatten echter moed en trokken het lichaam te voorschijn.
Zij hielden een lijk in de handen.
Zooals gezegd, ontbrak ieder spoor van kleeding, de vingers hadden ook geen ringen, maar wat het vreeselijkste was, het gelaat was totaal onkenbaar, bedekt met een laag geronnen bloed, en afschuwelijk verminkt.
De beide machinisten onderdrukten hun afgrijzen en zochten naar het wapen, waarmede deze vreeselijke verwondingen waren toegebracht, die het gelaat zoodanig hadden verminkt, dat herkenning wel onmogelijk zou zijn.
En spoedig hadden zij het gevonden, op eenige meters afstand, het was een soort zware koevoet, zooals ze in de depôts veel gebruikt worden om wissels over te halen.
Het moordwapen was van onder tot boven met bloed bespat.
De beide machinisten ijlden, bleek van schrik en trillend over hun geheele lichaam naar het huisje van den portier, dat zich aan den ingang van het groote hek bevindt, en deelden hem, stotterend van ontzetting, hun ontdekking mede.
Tien minuten later was de politie ter plaatse, nog geen kwartier daarna was een inspecteur en een gerechtsgeneesheer komen aansnellen.
Deze laatste deelde als zijn vaste overtuiging mede, dat de ongelukkige nog geen volle drie uren dood kon zijn.
Hij was waarschijnlijk eerst bewusteloos geslagen, en daarna had men met krankzinnigen drift op het gelaat gebeukt met de ijzeren staaf, zoodat dit volkomen onkenbaar was geworden.
De politie staat hier voor een raadsel.
Zij heeft slechts kunnen ontdekken, dat het slachtoffer waarschijnlijk ongeveer halverwege het lage hek verraderlijk is overvallen, en, na te zijn neergeslagen door den moordenaar of de moordenaars over het hek is geworpen, waarop zijn aanvallers hem over het terrein naar een reeks wagons hebben gesleurd.
Het onderzoek van het lijk leverde verder hoegenaamd geen resultaat op.
De geneesheer kon nergens een litteeken ontdekken, of eenig ander herkenningsteeken.
Op verzoek van de politie vermelden wij hier het signalement van den doode, natuurlijk voor zoover dit mogelijk is:
Lengte 64 inches, borst breed en gewelfd, beenen in geringe mate hoepelvormig, hoofdhaar donkerblond, gave tanden, behalve een tweeden rechterboventand, die geplombeerd is, groote voeten en fijne, blanke handen, kortgeknipte snor.
Degenen, die mogelijkerwijs omtrent de identiteit van den doode eenige inlichtingen zouden kunnen verschaffen, worden verzocht zich op het hoofdbureau van politie in Downing Street aan te melden.
Raffles legde het blad terzijde, waarin hij dit treurige bericht had gelezen en wendde zich tot Charly, die het reeds had gelezen, met de opmerking:
—Daar zal wel weinig van terecht komen! Als het gelaat zoozeer verminkt is, dat het onkenbaar is geworden, dan zal het wel heel moeilijk zijn, den dader te vinden!
—Met welk doel zouden de moordenaars hun slachtoffer zoo verschrikkelijk hebben toegetakeld? vroeg Charly, die nog vol afgrijzen was over hetgeen hij had gelezen.
—Dat kan ik je niet zeggen, maar in ieder geval moet de man, die het deed, een beest zijn geweest!
—En waarom is het lijk geheel ontkleed?
—Ook op die vraag moet ik je het antwoord schuldig blijven, Charly, ik weet het niet, dat is alles wat ik zeggen kan.
Raffles haalde de schouders op en ging voort:
—De politie zal wel spoedig inzien, dat zij voor een zeer zware taak staat en aan het signalement heeft men niet veel. Er zijn heel veel mannen, met beenen, die een weinig hoepelvormig zijn, met geplombeerde tanden, met donkerblond haar en met een kortgeknipte snor. Ook die groote voeten zullen haar niet veel verder brengen. Ik ben er van overtuigd, dat zich morgen honderden personen op Scotland Yard zullen aanmelden, die er desnoods een eed op willen doen, dat zij in het lijk een hunner bloedverwanten herkennen, en dan zal die bloedverwant thuis zitten, als zij weer zijn teruggekeerd!
—Maar er zullen er ook vrij wat zijn, Edward, die inderdaad een familielid missen! hernam Charly. In een stad als Londen verdwijnen iederen dag tientallen menschen op geheimzinnige wijze, zonder dat er een haan naar kraait! [8]
Toen de beide vrienden dit gesprek voerden, bevonden zij zich in de biljartkamer van het huis in de Regent Street, waar Gaston, de oude kamerbediende, zooeven de laatste avondédities had binnengebracht.
Maar spoedig was de aandacht van de beide vrienden weder geheel bij de zonderlinge zaak in Harrow Road, waarvan zij nog steeds geen oplossing hadden kunnen vinden.
Raffles had een versche sigaret aangestoken en liep nu in gedachten verzonken, met een rimpel tusschen de wenkbrauwen, het vertrek op en neer.
Eindelijk barstte hij uit:
—Ik had er heel wat voor over, als ik maar een flauw vermoeden had, waarom Grammont verklaard heeft, dat hij het gerucht van inbrekers heeft vernomen, terwijl wij toch, als wij tenminste niet beiden versuft en kindsch zijn, volstrekt zeker weten, dat hij niet thuis was gisterennacht, in ieder geval niet tusschen half drie en drie uur, het tijdstip van onze inbraak!
—Ik moet eveneens erkennen, Edward, dat ik het niet goed begrijp. Het is immers niet aan te nemen, dat de man maar iets gezegd heeft, om een praatje verlegen was, zooals het in den volksmond heet.
Raffles richtte zich op en zeide op vasten toon:
—Wij zullen er eens onderzoek naar doen, Charly, ik geloof, dat hier meer achter schuilt, dan wij op het eerste gezicht kunnen vermoeden! [9]
Den volgenden dag, omstreeks tien uur in den morgen, hield een huurauto stil voor het huis in Harrow Road, waar de inbraak had plaats gehad.
Den vorigen dag had er een politieagent voor het huis gestaan, maar men had dezen wachtpost weder ingetrokken, als zijnde volkomen overbodig en Raffles die in de auto had gezeten en nu op het huis toestapte, behoefde dus volstrekt niet te duchten, dat hij met een agent van politie moeilijkheden zou krijgen.
Hij belde aan en wachtte, totdat hem de deur zou worden opengedaan.
Toen voelde hij eensklaps iets tegen zijn beenen strijken.
Hij richtte den blik omlaag en ontwaarde Sherif, den kleinen foxterriër, drijfnat en bibberend van de koude, die hem met smeekende oogen aankeek.
—Mijn hemel, wat zie je er uit, kleine baas! riep Raffles vol medelijden uit. Het lijkt wel of je uren en uren in een plasregen hebt rondgeloopen! Zeker van den baas weggeloopen, nietwaar?
Op dit oogenblik werd de deur geopend en Sherif stoof naar binnen, luid blaffend en er zich niet om bekommerend, dat hij met zijn modderige pooten en zijn sliknat haar het kostbare kleed in de vestibule en den marmeren vloer danig bevuilde.
De bediende, het was Henry Dayton, de butler, keek verbaasd van den hond naar den vreemden bezoeker en vroeg toen:
—Neem mij niet kwalijk mijnheer, brengt u den hond mede? Is hij met u medegeloopen?
—Volstrekt niet. Ik vond hem hier op de stoep voor de deur.
—Ik kan mij niet begrijpen, waar het beest gezeten heeft! Het is gisterenmorgen de deur uitgeloopen en sindsdien is het niet terug geweest!
—Misschien is het dier wel in een verliefde bui! meende Raffles. In zulk een toestand zwerven zij vaak dagenlang over de straat!
Maar Dayton boog zich vertrouwelijk naar den bezoeker en zeide:
—Sherif moest eigenlijk geen jongensnaam dragen, mijnheer, zij is een teefje! En ik wil u wel zeggen, dat zij nog nooit te voren geheel alleen zoo lang op straat heeft rondgezworven. Mijnheer Grammont zal aardig boos zijn! En wilt gij mij nu zeggen, wien ik moet aandienen?
—Ik ben William Blackburn, van het particulier detectivebureau en ik wenschte mijnheer Grammont mijne diensten aan te bieden, in verband met de inbraak. Onze voorwaarden zijn zeer billijk en ik weet zeker, dat mijnheer Grammont van onze diensten wel gebruik zal maken!
De butler haalde de schouders op en zeide:
—Gij kunt het probeeren, maar ik geloof, dat gij uw tijd nutteloos verspilt, mijnheer wil geen werk van de zaak maken.
—Geen werk? riep Raffles verwonderd uit. Maar wat drommel, elfhonderd pond aan contanten en zeshonderd pond aan goud, is toch geen bagatel!
—Dat is ook mijn meening, maar mijnheer schijnt er anders over te denken. Hij heeft de detectives van Scotland Yard ook al weggezonden, die hier naar sporen kwamen zoeken en hij verklaart, dat het de moeite niet waard is en dat men de inbrekers toch niet vindt!
—Nu, dat is een wijsbegeerte, welke men zelfs bij de rijkste menschen niet veel aantreft, mompelde Raffles voor zich heen, te meer, daar het hem, wat Scotland Yard betreft, immers geen cent behoefde te kosten! [10]
Hij stond even in gedachten en eensklaps scheen hem iets in te vallen.
Hij wendde zich tot den butler met de vraag:
—Hoor eens hier mijn vriend, naar je deftig uiterlijk te oordeelen, ben je zeker de butler, nietwaar?
—Die ben ik, mijnheer, antwoordde de man gevleid.
—Wil je me dan antwoorden op eenige vragen?
—Als het niet te lang duurt .…., antwoordde de man met een schuwen blik naar de groote trap.
—Ik zal het zeer kort maken, dat beloof ik je. Is het zeker, dat op den nacht van de inbraak, eergisteren dus, niemand van de bedienden iets gehoord heeft?
—Volstrekt niets, mijnheer! Ik slaap zelf in het sousterrain en de twee andere bedienden op de bovenste verdieping, terwijl de huishoudster een verdieping lager slaapt. Maar het is een groot huis, en als de inbrekers hun vak verstaan hebben, dan is het zeer begrijpelijk, dat wij hen niet gehoord hebben.
—Gij zijt om één uur naar bed gegaan, naar ik in het verslag in de bladen lees.
—Het kan er geen 5 minuten over zijn geweest!
—Hadt gij verlof, om naar bed te gaan, ingeval uw meester wat laat thuiskwam?
—Ik behoefde nooit later dan tot half een te wachten. Het werd eergisteren één uur, omdat ik toevallig in een boeienden roman had zitten lezen!
—Het is natuurlijk ondenkbaar, dat mijnheer Grammont kan zijn thuisgekomen, zonder dat gij het bemerkt hebt?
—Dat is onmogelijk, mijnheer! Ik ben den geheelen avond in of bij de vestibule geweest, en van twaalf tot één heb ik op de groote bank, daar bij die electrische lamp, zitten lezen.
—Mijnheer Grammont had natuurlijk een huissleutel?
—Dat spreekt van zelf. Maar ik zeg u nog eens, dat hij onmogelijk had kunnen binnenkomen, of ik had hem moeten zien en hooren.
—Waren alle andere bedienden toen al naar bed?
—Al een uur.
—En de huishoudster?
—Die had zich om tien uur al naar haar kamer begeven. Miss Hotspur had een weinig hoofdpijn.
—Kunt gij u herinneren, wanneer uw meester het huis verlaten heeft, om zich naar de Windsor Club te begeven?
—Dat was ongeveer om half tien, antwoordde de butler na eenig nadenken.
—Hoe laat stond mijnheer Grammont gisteren op?
—Wel, vroeger dan hem misschien lief was, want ik ontdekte natuurlijk dadelijk de inbraak, toen ik langs de werkkamer liep. Dat was omstreeks acht uur en ik ben toen dadelijk mijnheer Grammont gaan waarschuwen, die nog in zijn slaapkamer was.
—Sliep hij?
—Neen, hij was al wakker!
—Wat deed hij op dat oogenblik?
—Dat weet ik niet, de slaapkamerdeur was dicht.
—Was uw meester gewoon, die deur gesloten te houden?
—Neen, dat heb ik nog nooit opgemerkt!
Raffles haalde een goudstuk uit zijn vestzakje en stopte het den butler in de hand.
—Ik dank u voor Uwe mededeelingen, ik zal er later nog wel gebruik van kunnen maken.
De butler wilde iets zeggen, maar boven aan de trap klonken schreden en Austin Grammont kwam naar beneden, terwijl hij bezig was zijn handschoenen dicht te knoopen.
En toen gebeurde er iets zeer zonderlings.
Sherif, die al dien tijd had rondgesnuffeld, nu en dan het water van zich afschuddend, had zijn meester nauwelijks in het oog gekregen, of hij vloog de trap op en begon woedend tegen Grammont te blaffen.
Deze schopte toornig naar den hond en riep naar beneden:
—Ik heb je gezegd, Dayton, dat ik het mormel niet meer wilde zien! Hoe komt het, dat ik het beest hier nu nog aantref?
—Aan mij! Maar mijnheer heeft mij niets gezegd! riep de butler verwonderd uit.
—Nu, dan is het aan een van de anderen geweest, hernam Grammont.
Zijn gelaat stond bleek en strak en hij hield den steeds woedender blaffenden hond van zich af met den voet.
Raffles had dit kleine tooneeltje met de grootste verbazing gadegeslagen en hij vroeg zich tevergeefs af, waaraan het gedrag van den hond was toe te [11]schrijven, wiens genegenheid voor zijn meester hem bekend was.
Austin Grammont was lid van de Windsor Club en Raffles had hem daar in zijn kwaliteit van vice-president herhaaldelijk in gezelschap van den kleinen terrier gezien.
Het schrandere dier gedroeg zich dan zeer welopgevoed, ging liggen, waar het hem bevolen werd en bewoog zich niet, alvorens zijn meester hem weder riep om te vertrekken.
Hij bestudeerde aandachtig, maar tersluiks, het gelaat van den bankier, en hij las er een uitdrukking op, welke hij er tevoren nog nooit op gezien had, een uitdrukking van wreedheid en boosaardigheid.
—Mijn God, wat is er met den man gebeurd? zeide hij zachtjes voor zich heen. Zou hij op weg zijn, waanzinnig te worden? Is het mogelijk, dat hij daarom volstrekt niet meer weet, wat hij eergisterennacht gedaan heeft? Ik moet en zal zekerheid hebben.
Op dit oogenblik kreeg Grammont den bezoeker in het oog en vroeg op tamelijk onvriendelijken toon:
—Wat is dat? Wat wenscht gij mijnheer?
Dadelijk was Raffles in zijn rol.
Hij nam beleefd zijn hoed af en zeide:
—Ik vraag verschooning, mijnheer, als ik u soms kom lastig vallen, maar ik kom u mijn diensten aanbieden als particulier detective. Ik ben William Blackburn.
—Zoo, meneer, het is mij aangenaam het te hooren, maar ik zal geen gebruik maken van uw aanbieding, zeide Grammont kortaf. Ik heb reeds aan de officieele politie laten weten, dat het mij de moeite niet waard is, om zooveel drukte over de zaak te maken. Vindt men het gestolene en ontdekt men den dief of de dieven, zooveel te beter. Maar in het tegenovergestelde geval kan het mij volstrekt niet schelen. Ik ben gelukkig rijk genoeg!
—Alweder een nieuwe karaktertrek, mompelde Raffles voor zich heen. Dat heb ik ook nog nooit bij hem ontdekt! Je bent mij nooit sympathiek geweest, vriend Grammont, maar je hebt toch nog nooit over je rijkdommen gebluft!
En daarop vervolgde hij op luiden toon:
—Het spijt mij werkelijk meneer! Onze condities zijn zeer laag en ik ben zeker, dat ik binnen korten tijd de daders zou hebben gevonden! Misschien komt u nog wel op uw besluit terug en dan ben ik gaarne tot uw dienst!
—Dat denk ik haast niet, mijnheer, zeide Grammont droogjes. Ik heb weinig tijd, met dergelijke futiliteiten kan ik mij onmogelijk lang ophouden.
Intusschen had de butler niet zonder moeite den kleinen terrier opgevangen en hem in een vertrek, dat op de vestibule uitkwam, opgesloten.
Maar ook daar nog ging het dier woedend te keer, huilde, blafte als een razende en sprong tegen de deur op.
Het kwam Raffles voor, dat Grammont een snellen blik vol haat op de dichte deur wierp en daarop kwam hij snel de overige treden van de trap af, schreed door de vestibule en verdween, zonder verder notitie van den gewaanden detective te nemen.
Raffles keek hem een oogenblik na en wendde zich toen weder tot den butler met de vraag:
—Is uw meester altijd zoo vriendelijk gemutst?
—Ik moet bekennen, dat het humeur van mijnheer vandaag al bijzonder slecht is, anders gaat het nogal.
—Wat mankeert die hond toch? ging Raffles nieuwsgierig voort.
Dayton haalde de schouders op.
—Ik begrijp er zelf geen sikkepit van. De hond is altijd dol van blijdschap als hij mijnheer ziet en hij is voor vreemden juist niet bijzonder toegankelijk!
Raffles dacht een oogenblik na en vroeg toen plotseling:
—Het is een onbescheiden vraag, maar mijnheer Grammont drinkt toch niet?
De butler scheen een oogenblik te aarzelen, of hij wel op deze vraag zou antwoorden en toen antwoordde hij met gedempte stem:
—Als gij mij bepaald belooft, dat gij het niet verder zult vertellen, mijnheer drinkt in den laatsten tijd meer, dan wel goed voor hem is! En dan doet hij aan morfine en meer van dat duivelsch goed!
Raffles schudde eenige malen het hoofd en bleef in gedachten voor zich uitstaren.
Toen hernam hij:
—Dan heb ik hier verder niets meer te doen! Mijnheer Grammont schijnt niet meer van mijn hulp gediend te zijn, het spijt mij, ik stelde veel belang [12]in de zaak. Apropos, hoelang heeft Mijnheer Grammont dien terrier al?
—Minstens een jaar of drie! Hij heeft hem als pukkie van 3 maanden gekocht.
—Is de hond wel eens meer zoo woedend tegen hem tekeer gegaan?
—Bij mijn weten nog nooit!
—Hoe komt het dier zoo kletsnat, en blijkbaar uitgehongerd thuis?
—Dat mag Joost weten! Mijnheer is gisterenmorgen met hem uitgegaan, en hij moest hem toen aan de lijn meenemen. Het verwonderde mij toen reeds, dat de hond volstrekt niet mee wilde, en ook zeide mijnheer tegen mij, dat het dier te lastig begon te worden, en dat ik het maar moest wegschenken. Toen hij terugkeerde, een uur later, verklaarde hij, dat de hond van hem was weggeloopen in de drukte op het Strand.
—Merkwaardig! mompelde Raffles. Ik kan mij niet anders herinneren of Grammont heeft altijd met groote liefde van zijn hond gesproken! Wat is er toch met den man gebeurd, dat hij zoo eensklaps veranderd is.
Hij knikte den butler toe en verliet het huis.
Op straat riep hij een huurauto aan en liet zich tot dicht bij zijn huis in de Regentstreet brengen.
Charly wachtte hem in de bibliotheekzaal.
Hij was juist teruggekeerd van een tochtje met zijn motorrijwiel en vroeg dadelijk op nieuwsgierigen toon:
—Heb je met Grammont gesproken? Neemt hij je diensten aan?
—Ik heb met hem gesproken, maar hij wil mijn diensten niet aanvaarden.
—Dus je hebt niets bijzonders kunnen ontdekken, het geval is nog altijd even raadselachtig?
—Mijn waarde, het is nog veel raadselachtiger geworden! kwam Raffles. Ik moet je echter erkennen, dat ik er maar heel weinig meer van begrijp. De man legt tegenover de politie een verklaring af, waaruit moet blijken, dat hij thuis was in den nacht van de inbraak. Waarom? Ik kan het niet zeggen! Hedenmorgen was ik bij hem en wien denk je dat ik aan de deur ontmoette? Geef het maar dadelijk op, je zoudt het toch niet raden. Sherif, zijn kleine trouwe foxterriër. Het beest was drijfnat en waarschijnlijk letterlijk uitgehongerd, want het arme dier had den geheelen dag van gisteren en hoogstwaarschijnlijk ook den geheelen nacht op straat doorgebracht in dien plasregen.
—Dat is sterk! riep Charly verontwaardigd uit. Ik heb nooit bijzonder veel met Grammont opgehad, maar in ieder geval had hij een goede karaktertrek en dat was juist de liefde voor zijn dieren en speciaal voor Sherif. Wat is er dan toch met den man gebeurd?
—Diezelfde vraag heb ik mij zelf ook gesteld, Charly, toen ik dit uit den mond van den butler vernam. En ik kan er maar één antwoord op vinden, er moet hem iets overkomen zijn, waardoor zijn hersens zijn aangedaan! Maar wat dat is, dat weet ik nog niet, maar ik zal het weten! Van dit oogenblik af, zullen wij met z’n drieën, jij, mijn trouwe Henderson en ik, het huis in het oog houden. Er is iets niet in orde daar in de Harrow Road, dat is zeker! [13]
Het was omstreeks één uur in den nacht van denzelfden dag.
In een portiek van een huis tegenover de bankzaak van Austin Grammont stonden twee mannen.
Het waren John Raffles en Charly Brand.
Het was eigenlijk de wachttijd van Raffles, maar Charly had er op gestaan, hem gezelschap te houden, en het nader verloop van de zaak zou aantoonen, dat hij daar goed aan gedaan had.
Met eindeloos geduld hadden zij de wacht gehouden, na Henderson, den chauffeur van Raffles, te hebben afgelost.
Dat was omstreeks 8 uur in den avond geweest en Henderson had hun medegedeeld, dat hij volstrekt niets bijzonders had kunnen ontdekken.
Grammont had den geheelen dag thuis doorgebracht, en hij had hem vele uren achtereen in zijn werkkamer voor zijn bureau zien zitten.
Nu en dan had hij iemand anders zien binnenkomen met een papier of een register in de hand, waarschijnlijk iemand van het personeel, die den bankier om inlichtingen kwam vragen.
Bezoekers waren er in het geheel niet geweest, maar wel eenige winkeliersbedienden. En na achten had de bankier zijn huis al evenmin verlaten. Hij had zeker veel te werken, want door de reet van een gordijn voor een raam van zijn werkkamer scheen licht. Voor het overige was het huis reeds om 11 uur in volkomen duisternis geweest.
Op dat tijdstip hadden de beide vrienden even een schaduw gezien achter het lancaster rolgordijn van een kamer op de 3de verdieping, die van de huishoudster Miss Hotspur.
Zij deed de overgordijnen dicht, en toen was al het licht uit het huis verdwenen, behalve nog steeds de dunne reet van de gordijnen van het raam der werkkamer.
Geruimen tijd hadden de beide vrienden zwijgend bij elkander gestaan, toen Charly opmerkte:
—Ik sta nog voortdurend te denken aan het vreemde optreden van Grammont. Wat denk je van mijn stelling, dat de man misschien zoo ontzet is door de inbraak, dat dit zijn verstandelijke vermogens heeft aangetast.
—Ik geloof niet, dat Grammont daar de man voor is, Charly, zeide Raffles, hoofdschuddend. Dat er iets met zijn hersens gebeurd moet zijn, dat staat volgens mij vast, maar als ik dat aanneem, dan kan ik daarmee nog altijd niet het vreemde gedrag van den hond verklaren! Een hond die zijn meester werkelijk lief heeft, verandert niet zoo van den eenen dag op den anderen, als die meester hem eens wat ruw behandelt.
—Hij kan hem in blinde drift wel half dood geranseld hebben! meende Charly.
—Dat zou het wel minstens moeten zijn, om het gedrag van den hond te verklaren!
Een naburige kerkklok liet juist een enkelen sonoren klank hooren, toen eensklaps de lichtkier verdween.
—Nu zal hij zich wel naar bed begeven, en wij kunnen, dunkt mij, wel hetzelfde doen! kwam Charly.
—Een oogenblikje, mijn jongen, het is nu toch laat, en wij kunnen nog wel een kwartiertje wachten!
—Wat verwacht je dan eigenlijk?
—Misschien gaat hij wel uit.
—Om één uur in den nacht? vroeg Charly verwonderd. Waar zou hij in ’s hemelsnaam naar toe moeten gaan?
Raffles haalde de schouders op en antwoordde:
—Dat weet ik natuurlijk niet. Maar van iemand, die zoo vreemd doet, zou het mij volstrekt niet verwonderen, als hij nog uitging. [14]
Raffles had deze woorden nauwelijks uitgesproken, of boven de straatdeur van het groote bankgebouw werd een flauw schijnsel zichtbaar, dat spoedig weder verdween.
—Je motorrijwiel, Charly, haast je! zeide Raffles.
Charly had het zware, Amerikaansche motorrijwiel, waarmede hij en Raffles hier waren gekomen in een garage gestald, die dag en nacht open bleef en die op slechts eenige tientallen meters afstand in een zijstraat was gelegen.
De jonge man ijlde weg, haalde het motorrijwiel, maar bleef voor de garage staan, vanwaar hij de voordeur van het bankgebouw kon zien.
Juist ging de deur open en Austin Grammont verscheen.
Hij had zijn vilten hoed diep in de oogen getrokken en hield een klein valies in de hand.
In een straat als deze rijden er op ieder uur van den nacht nog vrij wat auto’s voorbij en de bankier had er dan ook spoedig een gevonden.
Hij gaf den chauffeur blijkbaar een of ander adres op en stapte in.
En nauwelijks was de auto weggereden, of Raffles ijlde op zijn beurt op het motorrijwiel toe en wipte achter Charly op het tweede zadel.
—Houdt hem goed in het oog, maar kom niet te dicht bij, riep hij den jongen man toe.
De tocht zou niet lang duren, want reeds veertig minuten later stopte de huurauto in een straat, die op de Theemskade uitkwam.
Het was niet ver van de Lambeth Bridge.
Nog juist bijtijds had Charly het motorrijwiel tot staan kunnen brengen, na het vlug een zijstraat te hebben ingestuurd.
Terwijl hij het op den standaard zette, keek Raffles voorzichtig om den hoek en zag hoe Grammont met den chauffeur afrekende, terwijl hij het valies naast zich op het asphalt had gezet.
De auto stond niet zoover af, of Raffles kon duidelijk het nummerbord onderscheiden: N. L. 3717.
Niet ver daar vandaan was een auto-verhuurinrichting, en Raffles beval:
—Breng spoedig het rijwiel daar onderdak, Charly, maar haast je! Hij schijnt te voet verder te gaan, en wij kunnen het motorrijwiel niet gebruiken.
Terwijl de jongeman de motorfiets ging wegbrengen, hield Raffles den bankier in het oog.
De auto had dicht bij een lantaarnpaal stilgestaan, en Raffles zag dat het gelaat van den bankier bleek en vertrokken was.
Het valies trok eveneens zijn aandacht, het was zwaar en waarschijnlijk zeer kostbaar, want het was van echt zwijnsleder vervaardigd.
Nu nam Grammont het op, knikte den chauffeur toe, en liep haastig de straat af, die naar de Theemskade voerde.
Juist kwam Charly weder aansnellen, en de twee mannen volgden nu den nachtelijken wandelaar op veiligen afstand.
Dat was wel noodig, want op dit uur van den nacht waren er in deze straat zoo goed als geen voorbijgangers.
Ook de Theemskade was op deze plek stil en verlaten.
Op eenigen afstand teekende het Parlementsgebouw zijn krachtig silhouet tegen den donkerblauwen nachthemel af.
Nog verder welfde zich de Tower Bridge machtig over de Theems.
—Ik gaf een lief ding, als ik wist, wat Grammont met dat valies van plan is! Hij gaat dus op reis? fluisterde Charly.
—Als hij dat van plan is, waarom gebruikt hij dan niet zijn eigen auto en waarom rijdt hij dan niet regelrecht naar een of ander station, naar Victoria Station of Charing Cross?
Daarop wist Charly geen antwoord en daarom deed hij er het zwijgen toe.
Intusschen had Grammont de Theemskade over eenigen afstand gevolgd, en nu liep hij de Lambeth Bridge op.
Ongeveer halverwege de brug scheen hij stil te staan.
Raffles en Charly, die zich haastig achter de borstwering van de kade verscholen hadden, konden zijn gestalte vaag onderscheiden, zooals hij daar over de ijzeren leuning boog en aandachtig scheen rond te kijken.
Het was reeds bij half drie, en heinde en ver was in deze eenzame buurt niemand te bespeuren.
Aan de overzijde verhieven zich de hooge populieren van het Aartsbisschoppelijke park, en aan [15]deze zijde van de breede rivier strekte zich de kade uit, geheel verlaten.
—Nu wil ik toch gevild worden, als ik iets van die geheele vertooning begrijp, fluisterde Charly, wiens spanning iedere seconde toenam. De man moet werkelijk niet goed bij het hoofd zijn. Lieve hemel, zie nu toch eens wat hij doet.
Dat was werkelijk zonderling genoeg .……
Want er kwam een donker voorwerp van de brugleuning naar beneden zakken, dat moest het valies zijn, hetwelk Grammont aan een touw neerliet, waarschijnlijk, omdat hij bevreesd was, dat de plons van het zware voorwerp in het water, de aandacht van een patrouilleerenden agent zou trekken.
Gestadig daalde het valies naar de donkere, geheimzinnig glanzende oppervlakte van de Theems. Binnen een halve minuut zou het valies onder de golven verdwenen zijn.
Raffles verloor geen tijd.
Hij greep Charly bij den arm en trok hem mee, terwijl hij fluisterde:
—Ga spoedig mee, op twintig passen hier vandaan moet een sloep liggen van de rivierpolitie, met een dreg er in.
—Maar dan moeten wij er de politie bij betrekken.
—Als het niet anders gaat, in ’s hemelsnaam dan maar.
De beide mannen snelden in gebukte houding langs de borstwering voort, daalden een trap af, en ijlden op een kleine roeiboot toe, vastgemeerd aan een paal, die een bord droeg, waarop met witte letters geschilderd stond: „Politiedreg”.
Er was echter niemand in de nabijheid en de beide vrienden konden in het bootje springen en het losmaken zonder dat iemand het zag.
Ook de man op de brug, die daar zulk een zonderlinge bezigheid verrichtte, scheen voor niets anders oogen te hebben, dan voor het valies, waarvan de onderzijde het water reeds aanraakte.
Toen liet Grammont het touw schieten, en geruischloos zonk het valies in de golven.
Alsof de duivel hem op de hielen zat, zoo holde Grammont weg, zonder zelfs een blik achter zich te werpen.
De beide vrienden hadden de riemen reeds gegrepen en roeiden nu zoo snel zij konden, naar de plek, waar het valies was gezonken.
Omtrent de plek konden zij zich niet vergissen, het was juist tusschen de middelste pijlers.
En het was nu voor hen van groot voordeel, dat Grammont het valies aan een touw had laten zakken, want nu moest het valies noodzakelijk rechtstandig gezonken zijn, en wel juist bij het begin van de doorvaartopening.
Raffles begon de dreg eerst los te maken en dadelijk plonsde de looden kogel, voorzien van een zestal haken, overboord.
Hij behoefde de dreg slechts even heen en weer te trekken over den bodem, en reeds greep een van de haken in een der lederen handvatsels van het valies.
Zoo palmde Raffles snel het valies in en het volgende oogenblik had hij het aan boord getrokken.
En ternauwernood konden de beide vrienden een kreet terugdringen, die hen onweerstaanbaar naar de lippen drong, er kwam geluid uit het valies! Het was een zacht, erbarmelijk klagend gejank als van een dier in stervensnood.
Vliegensvlug gespte Raffles de leeren riemen los, schoof de knippen terug en daar lag het valies geopend op den bodem van de boot.
—Sherif! schreeuwde Charly ontzet en van verwondering geheel ontdaan.
—Ja, het was de foxterriër van Austin Grammont, juist op het nippertje gered van den verdrinkingsdood, met half gesloten oogen en moeilijk ademhalend.
Het arme dier zag Charly aan met een blik, waarin een zoo duidelijke vraag om medelijden te lezen was, dat hem bijna de tranen in de oogen deed komen.
Alsof hij met een menschelijk wezen te doen had, zoo behandelde Raffles aanstonds den kleinen drenkeling.
Hij wreef hem voorzichtig over het ijskoude lijfje, zoodat het ingezwolgen water weer werd overgegeven en drukte en perste zoolang, tot de bloedsomloop weder was hersteld.
Met hun beide zakdoeken en met een halsdoek van Charly werd het dier drooggewreven, en daarop kreeg het een plaatsje onder de korte overjas van Raffles.
Nog rillend, de kleine oortjes in den nek, vlijde het dier zich tegen zijn borst en sloot met een diepen zucht de oogen, alsof het wist, dat het in veiligheid was. [16]
Charly was intusschen behoedzaam teruggeroeid, zorgdragend met zijn riemen zoo weinig mogelijk leven te maken.
Het geluk was hen gunstig, want nog altijd was er niemand bij de aanlegplaats te zien.
Zij meerden de kleine jol weder, legden haar vast, schoten de dreg op en aanvaardden toen haastig den terugweg, Raffles met den hond onder zijn jas, Charly met het valies in de hand.
Zij gingen weder naar de garage, Charly nam zijn plaats aan het stuur in en daarachter troonde Raffles in een wel wat moeilijke houding, want hij moest onder den eenen arm het valies vastklemmen en met den anderen den kleinen Sherif beschutten.
Maar het zadel was breed, hij was een acrobaat en voor de goede zaak moest men wat over hebben.
Geen twintig minuten later hield de motorfiets stil voor de tuindeur van het huis in de Regentstreet.
Charly was reeds van het rijwiel afgesprongen en opende de deur met zijn sleutel, waarop zij beiden haastig binnengingen en de motorfiets stalden in de garage.
Henderson, die voortreffelijke ooren had, en die boven de garage zijn kamer had, was aanstonds wakker geworden en kwam nu zijn hoofd uit het raam steken, maar werd met een paar woorden gerustgesteld.
Raffles en Charly gingen den tuin door en traden het huis aan de achterzijde binnen.
Nu werd allereerst voor den kleinen terrier gezorgd.
Charly ging in de keuken eerst wat melk warmen en de hond likte het schoteltje gretig op, kreeg vervolgens een heel blikje ossentong te verorberen en tenslotte werd het dier in een wollen deken gerold, en kreeg een heerlijk plaatsje in den hoek van de sofa in de rookkamer.
Het duurde niet lang of het dier strekte zich behagelijk uit en sluimerde in, maar niet dan nadat het op de beide mannen een blik had geworpen, waarin duidelijker dan in een menschenoog zijn dankbaarheid te lezen viel.
Raffles keek eenigen tijd naar het fraaie dier, dat daar nu zoo rustig lag te slapen, en vestigde toen zijn doordringende grijze oogen op het gelaat van Charly.
—Wel, dat is al een heel vreemde zaak, vindt je niet? vroeg hij langzaam.
—Om je de waarheid te zeggen, ik heb in mijn hoofd een gevoel alsof er watten in zitten, watten en keisteenen. Als Grammont niet volslagen krankzinnig is, waarom deed hij dit dan in ’s hemelsnaam?
—Ik begin nu te gelooven Charly, dat de bankier in het geheel niet gek is, maar integendeel bijzonder goed weet wat hij doet. Die hond is hem lastig! En wel in zeer hooge mate, anders zou hij zeker dien nachtelijken tocht niet naar de Theems hebben gedaan, om het arme dier te verdrinken.
—Als je je verbeeldt, Edward, dat je nu de zaak plotseling voor me hebt opgehelderd, dan heb je het mis! riep Charly uit. Waarom is die hond hem lastig?
—Ik wilde, dat ik je op die vraag een antwoord kon geven, Charly. Als het niet te krankzinnig klonk, dan zou ik zeggen: Er heeft een verwisseling plaats gehad, Sherif is door een anderen hond vervangen!
—Maar dat is tastbare waanzin, Edward! riep Charly ongeduldig uit. Neem mij niet kwalijk, maar dat kan ik niet aannemen. En zelfs, al was dat zoo, waarom zet Grammont dan niet eenvoudig een advertentie in de bladen: „Hond weggeloopen, verkeerde thuisgebracht, de eigenaar wordt beleefd verzocht zijn hond te komen afhalen, en tegen mijn eigendom in te ruilen?”
—De hond kan dus niet verruild zijn, denk je? vroeg Raffles met een zonderling lachje.
—Dat acht ik volkomen onmogelijk.
—Welnu, dan is er maar één andere oplossing mogelijk, als meester en hond elkander niet meer herkennen, hetgeen hier het geval is, namelijk, dat de meester verwisseld is. [17]
Charly bleef Raffles geruimen tijd met een wezenloos gezicht aanstaren.
Eindelijk kon hij stamelen:
—Neem mij niet kwalijk, het kan natuurlijk wel aan mij liggen, maar waar de zaak mij tot dusverre alleen nog maar raadselachtig is geweest, daar wordt ze mij nu totaal onbegrijpelijk. De meester verwisseld? Met wien? Waarom? Wanneer? Is Grammont dan niet langer Grammont?
—Ik denk, dat Grammont dood is, antwoordde Raffles rustig.
Charly vloog van zijn stoel op en riep uit:
—Wat zeg je daar? Hoe kun je dat weten? Wij hebben hem nog geen uur geleden zien wegvluchten van de Lambeth Bridge.
—Ik denk niet, dat die man Grammont was! ging Raffles kalm voort.
—Maar mijn hemel, hoe kom je daar zoo eensklaps op. Wat brengt je er toe, om dat te denken?
—De hond, en niets anders dan de hond! Een mensch kan zich vergissen, het instinct van een dier bedriegt nooit! Zoolang de wereld draait, heeft een hond zijn meester op de honderdduizenden andere personen dadelijk kunnen herkennen. Ik weet op dien regel geen enkele uitzondering. De butler vertelt ons, en het is ons trouwens zelf bekend, dat Grammont altijd zeer veel van zijn paarden en honden hield en goed voor de dieren was. Hij komt herhaaldelijk met Sherif in de Windsor-Club, laat het dier zijn kunstjes doen en vertelt vol trots van zijn schranderheid en zijn trouw! Hoe verklaar je het nu, dat de hond in een enkelen nacht omdraait als een blad op een boom? Je hadt het dier van morgen woedend tegen hem te keer moeten zien gaan, het scheelde maar weinig of hij had hem aangevlogen, als de butler hem niet had tegengehouden.
—Dat kan ik niet verklaren, Edward.
—Pardon, dingen die niet verklaard kunnen worden, zijn mij bijzonder antipathiek, vervolgde Raffles. Er bestaat niets onverklaarbaars! De hond is, daarop wil ik nu wel een eed doen, zoo fel tegen Grammont ingenomen, omdat het Grammont niet is! Ik voel zelf wel, dat hetgeen ik daar beweer, zeer vreemd moet klinken, en toch moet het de waarheid zijn, omdat een andere verklaring niet denkbaar is. Men kan desnoods nog aannemen, dat iemand’s karakter in den loop der jaren een verandering ondergaat en dat hij zijn honden gaat mishandelen, maar het zal lang, zeer lang duren, eer de liefde voor zijn meester uit het hart van een hond zal worden verdreven.
—Als je niet meer gegevens hebt, dan deze.….! riep Charly uit.
—Natuurlijk heb ik er meer, want dit zou me zeker niet voldoende zijn! Waarom denk je wel, dat Grammont des nachts om één uur tersluiks zijn huis verlaat, als iedereen slaapt, om zijn hond te gaan verdrinken? Ik zal zeggen, waarom hij dat wilde doen, hij is bang voor het dier!
—Bang, waarom?
—Hij vreest, dat de hond hem kan verraden, vroeg of laat!
—Maar wat zou de hond dan toch wel kunnen verraden!
—Wel, bijvoorbeeld den diefstal van de identiteit van den echten Austin Grammont!
—En die zou, volgens jou, dood zijn?
—Ja, ik denk, dat het de man onder den wagon op het spoorwegdepôt is.….
Geruimen tijd werd er niets gesproken.
Charly, die weder plaats had genomen, had zich achterover in zijn stoel laten vallen, en scheen met [18]gesloten oogen na te denken, over hetgeen Raffles hem daar zeide.
Het warrelde hem in het hoofd, want hij kon nog steeds niet inzien, wat er dan gebeurd was.
Eindelijk hernam hij langzaam:
—Als men je er naar vroeg dan zou je natuurlijk geen enkel bewijs kunnen bijbrengen voor je bewering?
—Geen enkel! Je ziet, dat ik eerlijk ben.
—Maar wel een vermoeden?
—Vermoedens heb ik, Charly, en wel zeer ernstige! Ik heb vanmorgen Austin Grammont gezien. Het was het gelaat van den bankier, het was zijn houding, zijn gang, zijn oogopslag, en toch was hij het weer niet! Zooiets is moeilijk onder woorden te brengen, maar er lag op zijn gelaat een uitdrukking, die ik er nimmer tevoren op had gezien. Wreedheid en boosaardigheid.
—Maar dat is toch niet voldoende. Hij kan wel in een bijzondere stemming zijn geweest.
—Op zichzelf zou dat zeker niet voldoende zijn, maar nu het geval met den hond. Gisteren een paar uren na de ontdekking van de inbraak, ging hij met den hond uit, die zich zeer onwillig betoonde, om met hem mede te gaan, en een uur later komt hij terug, met de mededeeling, dat hij het beest in de drukte is kwijt geraakt. Na wat wij aan de Theemskade gezien hebben, kunnen wij natuurlijk als een zekerheid verklaren, dat hij dit gelogen heeft. Hij heeft toen reeds getracht zich van het dier te ontdoen, het misschien naar een hondenkoopman gebracht, het dier is losgebroken, heeft een geheelen dag en nacht rondgezworven en tenslotte toch het huis van zijn meester teruggevonden. Maar als Austin Grammont dit met hem gedaan had, dan zou het dier toch nooit zoo tegen hem zijn opgetreden. Het zou bedroefd zijn geweest maar nooit zou het hem hebben willen aanvliegen.
—Is er nog meer?
—Ja, Grammont was niet thuis in den nacht van de inbraak. Waarom verklaarde hij aan de politie het tegendeel? Omdat hij een alibi wilde hebben! Hij moest dien nacht zijn thuisgeweest! En om aan alle lastige ondervragingen een einde te maken, gaf hij te kennen, dat hij geen werk van de inbraak wilde maken. Wij echter weten heel zeker, dat de man in ieder geval vóór drie uur in den nacht niet thuis was. Maar waar is hij dan geweest? Tot half twaalf ongeveer was hij in de Windsor Club. Dáár was stellig de ware Grammont! Maar wat er daarna met hem gebeurd is, en waarom hij niet naar zijn huis is gegaan, dat kunnen wij slechts gissen! Maar het staat nu wel bijna onaanvechtbaar bij mij vast, dat hij gedood is, en wel door denzelfden man, die nu zijn plaats heeft ingenomen.
—Maar, dan zou die man een dubbelganger van Grammont moeten zijn! riep Charly opgewonden uit.
—Welnu? is dat zoo ongehoord? Het is wetenschappelijk vastgesteld, dat er twee menschen zoo sterk op elkaar kunnen gelijken, dat zelfs de wederzijdsche familieleden zich vergissen! Grammont was schatrijk, dat kan een motief zijn geweest, om hem van het leven te berooven. Ik zie echter aan je gelaat, dat je nog niet overtuigd bent, en ik moet eerlijk erkennen, dat mijn stelling op het eerste gehoor zeer vreemd klinkt. Op een andere wijze kan ik mij echter het gedrag van Grammont, zoowel als van den hond, niet verklaren. Maar wij zullen ons morgen dadelijk zekerheid verschaffen, en op onderzoek uitgaan. Daarbij kan de hond ons van grooten dienst zijn! En nu zullen wij maar gaan slapen, en trachten, niet al te zeer over de zaak na te denken!
Raffles wierp nog een blik op den rustig slapenden hond, die zoo na aan den dood was geweest, overtuigde zich, dat zijn schotel met melk gevuld was, legde een groot stuk hondenbrood naast het dier op de sofa en toen verlieten de beide mannen het vertrek en begaven zich ter ruste.
Den volgenden morgen waren zij beiden weer vroeg uit de veeren.
In de kleine eetkamer, die op den tuin uitzicht gaf, lazen zij de ochtendbladen.
Zij bevatten volstrekt niets over de inbraak in Harrow Road, en slechts weinige regels over de lugubere vondst op het spoorweg-emplacement.
Naar alle windstreken waren foto’s van het lijk verzonden, maar zonder dat dit tot eenig resultaat leidde.
Er waren zich, zooals Raffles wel verwacht had, een twintigtal personen op het hoofdbureau van politie komen aanmelden, die sedert langen of korten tijd een familielid vermisten, maar geen hunner herkende in het lijk den verdwenen bloedverwant.
Het was omstreeks elf uur in den morgen, toen [19]een huurauto voor het sombere gebouw van Scotland Yard stilstond.
Daaruit stapten Raffles en Charly, vergezeld door Sherif, den foxterriër.
Beiden hadden zich goed vermomd, en zagen er uit als lieden uit de provincie.
Zij stapten op een agent van politie toe, die voor de breede deur op en neder wandelde, en Raffles vroeg beleefd:
—Neem mij niet kwalijk vriend, maar ik heb in de krant iets gelezen van de vondst van een geheel ontkleed lijk. Ik kom vanwege een neef, die in Orpington woont en wiens broeder sedert een paar dagen spoorloos verdwenen is, van het oogenblik af, dat hij hier in Londen moet zijn aangekomen. Ik zou zeer gaarne het stoffelijk overschot eens willen zien, en ik heb het hondje van mijn vermisten neef meegebracht, misschien kan dat hem wel herkennen, als hij het werkelijk is!
—Ga dan maar naar binnen en vraag naar den dienstdoenden brigadier, zeide de agent, waarop hij met de handen op den rug zijn wandeling voortzette.
Raffles en Charly traden het groote, sombere gebouw binnen en even later herhaalde de eerste zijn verzoek aan een barsch uitziend man van een statuur, die niet veel achterbleef bij dien van Henderson, die toch waarlijk een reus was!
Hij luisterde een weinig ongeduldig naar het verhaal van den gewaanden provinciaal en zeide toen:
—Ik zal u een agent meegeven, u kunt dan zelf zien. Maar schrijf eerst uw naam in dit register!
Raffles schreef den eersten den besten naam in een groot boek, dat de brigadier hem toeschoof en daarop volgden hij en Charly een agent, die hen voorging naar het lijkenhuisje.
Met een zwaren sleutel opende hij de deur en de drie mannen traden een zaal binnen, waar een zeer lage temperatuur heerschte.
In het midden stond een lage, groote tafel van stoepsteen, een weinig schuins geplaatst, en daarop lag het geheel naakte lijk van een man uitgestrekt, het hoofd een weinig terzijde geneigd.
Een sterke electrische lamp, juist boven de tafel opgehangen, verlichtte het lichaam daghelder.
En nauwelijks had Sherif het lijk gezien, of hij worstelde om los te komen uit de armen van Raffles en liep, toen hij op den grond was gesprongen, erbarmelijk jankend, met den staart tusschen de beenen, en de ooren in den nek naar de steenen tafel.
Hij ging er met de voorpootjes tegen leunen, besnuffelde even het lijk en hief eensklaps een gehuil aan, dat in het geheele gebouw te hooren moet zijn geweest.
Raffles had Charly een snellen blik toegeworpen, twijfel aan zijn opvatting was bijna niet meer mogelijk!
Het hondeninstinct had gesproken en dat loog nimmer!
De agent had verbaasd naar het doen van den hond gekeken en riep nu uit:
—Het is zeker, dat het dier dien man kent! Is hij familie van u?
—Dat moet wel zoo zijn, nu de hond hem herkent! gaf Raffles ten antwoord. Dan zou die ongelukkige een neef van mij moeten zijn! Ik ga dadelijk naar Orpington terug en haal er zijn broeder bij. Wij kunnen nog vandaag gemakkelijk terug zijn. Misschien herkent Jack zijn broer wel aan eenige bijzonderheden, die mij onbekend zijn.
Met groote moeite kon Raffles den terrier van het stoffelijk overschot wegtrekken.
De hond kermde wanhopig en zijn gehuil was akelig om aan te hooren.
Maar eindelijk kon Raffles Sherif toch weer onder den arm nemen, en daarop verlieten allen het lijkenhuis weder.
De twee zoogenaamde provincialen werden weder naar den brigadier geleid, die vroeg:
—Welnu, meent gij het lijk te herkennen?
—Ik geloof, dat het mijn neef is, mijnheer! antwoordde Raffles. Zijn hond, dien ik van Orpington had meegenomen, huilde tenminste erbarmelijk. Ik wilde nu terug gaan en mijn neef halen, die zal zijn broeder natuurlijk eerder herkennen dan ik. Het gezicht is zoo vreeselijk toegetakeld, dat ik het niet durf verzekeren, of hij het al of niet is.
—Haast u dan wat! hernam de brigadier. De zaak kan dan haar beloop hebben. Uw neef is vermoord, daaraan kan niet worden getwijfeld, en wij zullen den moordenaar gemakkelijker kunnen vatten, als wij zeker weten, wie de vermoorde is!
En zoo verlieten Raffles en Charly het hoofdbureau van politie weder, echter niet om naar Orpington te gaan, maar om hun onderzoekingen te Londen zelf voort te zetten. [20]
Zoodra zij weder in de huurauto hadden plaats genomen, die op hen was blijven wachten, begon Raffles:
—Twijfel is nu dunkt mij niet meer mogelijk, het lijk op de steenen tafel is dat van Grammont! De hond sprak een taal, die niet is mis te verstaan. Hij herkende zijn meester dadelijk. Je hebt zelf gezien, hoeveel moeite ik had, hem weer mee te krijgen.
—Ja, ik geef nu toe, dat alles wijst in de richting, welke je mij hebt aangeduid.
—Maar dit is niet voldoende. Wij moeten meer bewijzen hebben. Ik zou dien man, die nu in het huis van Grammont woont, en die toch Grammont niet is, gaarne eens van nabij bespieden. Ik zou het mijzelf nimmer kunnen vergeven, als het naderhand toch zou blijken, dat ik een domme vergissing had begaan.
Inderdaad moest Raffles bij zichzelf erkennen, dat die mogelijkheid niet volkomen was buitengesloten.
Het leek wel zeer ongewoon, dat een man den moed zou hebben, een dubbelganger te vermoorden, om dan zijn plaats in te nemen.
Grammont was bankier, en voor alles was het dus volstrekt noodzakelijk, dat zijn moordenaar verstand had van bankzaken.
In het tegenovergestelde geval zou het bedrog immers aanstonds ontdekt worden.
Voorts moest de man er op rekenen, dat hij te doen kreeg met bedienden, die reeds lange jaren in dienst van zijn slachtoffer stonden, al zijn gewoonten kenden, en een afwijking daarvan dadelijk zouden opmerken.
In ieder geval stond het dus vast, dat de moordenaar zijn slachtoffer geruimen tijd had moeten bestudeeren, en dat wel in het geheim, anders zou de wonderbaarlijke gelijkenis tusschen de twee mannen spoedig aan het licht zijn gekomen, en zijn toestand na het plegen van den moord zou daardoor zeer gevaarlijk zijn geworden.
Waarschijnlijk had de misdadiger Grammont bij toeval in een schouwburg of op de renbaan gezien en toen was het denkbeeld bij hem opgekomen, zijn plaats in te nemen, wat niet kon geschieden of Grammont zou uit den weg moeten worden geruimd.
Het was nu voor alles zaak, na te gaan, waar Grammont na half twaalf in den nacht van den moord was geweest, en waarom hij niet rechtstreeks van de Windsor-Club naar zijn huis in Harrow Road was gegaan.
Op den hoek van de Oxford Street, toen de chauffeur den weg naar Charing Cross Station wilde inslaan, tikte Raffles tegen de voorruit en gaf den man bevel, hem naar het clubgebouw te rijden, dat in de Oxford Street was gelegen.
Tien minuten later stapten de twee mannen uit, dankten den chauffeur af, en gingen binnen.
Raffles was vice-president van de club en Charly Brand kwam er dikwijls, maar eerder zou de portier aan zijn eigen bestaan hebben getwijfeld, dan aan te nemen dat die boersch gekleede menschen, die als het ware de stallucht met zich medebrachten, Zijne Lordschap William Aberdeen en zijn secretaris konden zijn!
De man bekeek hen wantrouwend en uit de hoogte en zeide toen medelijdend:
—U is hier zeker verkeerd! Wat wenscht u?
—Ik wensch je voor alles een halve guinje te geven, mijn vriend, antwoordde Raffles glimlachend.
Dat was zeker iets bijzonders voor een provinciaal, maar de portier was blijkbaar van oordeel, dat een goudstuk een goudstuk blijft, onverschillig of het afkomstig is van een Londenschen edelman of van een boer uit de provincie.
Maar verbaasd was hij wel!
Hij stak het geldstuk op, en hernam, maar op een geheel anderen toon:
—Misschien willen de heeren een der leden van de club spreken?
—Neen, dat niet! Wij wilden u ondervragen! antwoordde Raffles bedaard. Wij zijn niet voor wie gij ons houdt, geen boertjes namelijk! Wij zijn particuliere detectives en wij hebben ons een weinig moeten verkleeden, dat is alles.
—Zoo, dat is wat anders, kwam de portier. Dan moet ik zeggen, dat de heeren het meesterlijk verstaan, zich als boertjes voor te doen! En als u nu iets te vragen heeft, ga uw gang! Ik zal er op antwoorden, voor zoover het mij mogelijk is, alleen begrijp ik niet best, wat er wel aan de hand kan zijn!
—Wij komen hier in verband met de inbraak bij mijnheer Austin Grammont! antwoordde Raffles.
—En denkt gij, dat ik u van nut zou kunnen [21]zijn om die zaak tot klaarheid te brengen? vroeg de portier op verbaasden toon.
—Dat zou ons althans volstrekt niet verwonderen, hernam Raffles. Er is iets geheimzinnigs in die zaak, ziet gij, en daarom komen wij hier, in de hoop, dat wij hier nieuwe aanknoopingspunten kunnen vinden. Zeg ons eens, hoe laat kwam mijnheer Austin Grammont hier? Ik bedoel op den avond van de inbraak.
—Het zal zoowat tien uur geweest zijn!
—Was er iets bijzonders aan hem te zien? Ik meen, was hij zooals altijd?
—Ik heb in het geheel niets vreemds bij hem kunnen opmerken! antwoordde de man. Hij knikte mij toe, zooals hij gewoonlijk doet, en daarop gaf hij zijn overjas in de vestiaire af en ging de trap op naar boven.
—Hoe laat vertrok hij weer?
—Ik denk om bij twaalven!
—Was er in dien tusschentijd misschien een boodschap voor hem bezorgd?
De portier dacht even na en antwoordde toen:
—Neen, tenminste niet voor zoover ik weet.
—Wij kunnen zeker de kellners wel even ondervragen? Misschien heeft een hunner mijnheer Grammont wel een briefje gebracht!
—Ga gerust uw gang, mijnheer! Maar waarom geeft gij u al die moeite, en vraagt het niet aan mijnheer Grammont zelf?
Raffles kneep de lippen op elkander en een lichte huivering liep hem over den rug, de vraag had hem geschokt, want hij zag weder het vreeselijk verminkte lijk op de steenen tafel in het sombere lijkenhuisje van het politiebureau liggen.…..
Hij herstelde zich evenwel dadelijk en antwoordde:
—Er zijn bijzondere redenen, waarom wij dit juist niet aan mijnheer Grammont kunnen vragen, hij maakt een reis, een zeer verre reis!
—Nu, daarin moet gij u vergissen, mijnheer! riep de portier lachend uit. Want daar komt mijnheer Grammont juist aan! [22]
In een oogwenk had Raffles Charly en den portier in de loge van dezen laatste getrokken en de deur op slot gedaan.
—Is hier nog een tweede vertrek achter? vroeg hij op gedempten toon.
—Ja, zeker, die deur! antwoordde de portier, zeer verbaasd over het optreden van den gewaanden detective.
Raffles rukte de deur open en duwde den hond naar binnen.
Nu was het dier door twee deuren gescheiden van den man, die zooeven was binnengetreden en nu de trap opging, zonder links of rechts te zien!
—Gij zult later wel begrijpen, waarom ik dit deed! kwam Raffles op zachten toon tot den portier. En let wel op, geen woord tegen mijnheer Grammont over dit voorval, of gij zoudt betrokken worden bij een zaak, die voor u zeer onaangename gevolgen zou kunnen hebben!
Raffles had dit op zulk een ernstigen toon gezegd, dat de portier hem verschrikt aanzag en toen de verzekering gaf, dat hij over de komst van den detective niet zou reppen.
Raffles duwde den man nogmaals een halven kroon in de hand, ging den hond weer halen, die onrustig rondsnuffelde, alsof hij toch de lucht had gekregen van den man, die zoo juist de trap was opgegaan en daarna verlieten de twee mannen het clubgebouw weder.
Op straat gekomen zeide Raffles:
—Het doet mij genoegen, dat hij den hond niet herkend heeft, wie weet, of hij zijn mond dan wel had gehouden! Nu wordt die waarschijnlijk gesloten door de vrees, voor den arm der Justitie, ofschoon de man moet weten, dat hij zich zelf in deze zaak minder te verwijten heeft dan een pasgeboren kind!
—Waar gaan wij nu heen?
—Luister! Jij neemt den hond mede naar huis en wacht op nadere instructies. Ik begeef mij naar het huis in Harrow Road, en zal Dayton verzoeken, mij zijn plaats te laten innemen!
—Een uitstekend idee! Op die wijze zul je misschien het gemakkelijkst achter zekere geheimen van den tweeden Grammont komen!
Charly nam den hond over en daarop drukten de twee vrienden elkander de hand en gingen ieder huns weegs.
Raffles had spoedig opnieuw een huurauto gevonden en gaf den chauffeur last hem naar het bankgebouw in Harrow Road te rijden.
Onderweg maakte hij zijn plan op.
Hij zou zooveel aan Dayton openbaren als noodzakelijk was, om den butler te bewegen, hem zijn plaats in te ruimen.
Dit zou des te gemakkelijker gaan, daar de man, die Grammont’s plaats had ingenomen, nog slechts weinige dagen met den butler in aanraking was gekomen, en het dus wel niet zou opmerken, wanneer deze niet juist deed, als hij het gewend was.
Eenmaal in huis, zou het Raffles niet al te moeilijk vallen, de noodige nasporingen te doen.
De auto stond stil en Raffles stapte uit en zond den chauffeur weg.
Hij belde aan, en de deur werd geopend door Henry Dayton.
Hij nam den bezoeker een weinig verbaasd op en zeide toen:
—Als gij voor zaken komt, dan moet gij aan de kantoordeur zijn, mijnheer! [23]
—Ik kom wel voor zaken, maar niet degene die gij denkt! antwoordde Raffles. Ik zou trouwens mijnheer Grammont niet thuis treffen! Een half uur geleden zag ik hem elders!
—Mag ik dan weten, waarvoor gij komt, mijnheer? vroeg de butler verwonderd.
—Ik kom voor u! antwoordde Raffles. Hebt gij tien minuten voor mij? Ik ben particulier detective.
—Nog altijd om de inbraak! riep Dayton een weinig ongeduldig uit. Maar het moest u toch bekend zijn, dat mijnheer Grammont geen gevolg aan de zaak wenscht te geven!
—Hij misschien niet, maar de Justitie wel! kwam Raffles bedaard.
Weer kwam er een goudstuk uit zijn zak te voorschijn, dat naar de hand van den butler verhuisde.
Deze opende de deur wat verder en liet den bezoeker binnen.
Hij ging hem voor naar een klein vertrekje aan het einde van de vestibule en zeide, nadat hij de deur gesloten had:
—Vraag dan, wat gij te vragen hebt, mijnheer, maar ik verzeker u, dat ik u niet veel zal kunnen zeggen!
—Ik zal u eerst wat voorstellen, en later nog iets vragen! zeide Raffles.
—Mij voorstellen? herhaalde de butler langzaam. Wat zou dat wel kunnen zijn?
—Dat zal ik u zeggen, ik wilde voor een dag of een paar dagen uw plaats innemen.
—Hier? In dit huis? Mijn plaats als butler? riep Dayton met een ongeloovigen blik uit. Met welk doel?
—Met het doel, mijnheer Grammont te bespieden!
—Wat? En daar durft gij zoo brutaalweg voor uitkomen? riep de butler verontwaardigd. Dan zijt gij aan het verkeerde adres, mijnheer! Ik verraad mijn meester niet!
—Dat doet gij ook niet, als gij mij uw plaats afstaat! hernam Raffles rustig. Mijnheer Grammont is uw meester niet!
De butler keek Raffles een oogenblik aan, alsof hij vreesde met een gek te doen te hebben.
Maar toen hij den ernstigen blik in de grijze oogen zag, riep hij uit:
—Gij houdt mij toch niet voor den gek, mijnheer? Mijnheer Grammont zou mijn meester niet zijn?
—Op die vraag kunt gij u zelf het beste antwoord geven, als gij eens bij u zelf te rade gaat, of gij sedert eergisteren niets bijzonders bij uw meester hebt opgemerkt.
Raffles had dit op zulk een overredenden toon gezegd, dat de butler verschrikt achteruit week en verbleekte.
Toen kwam het toonloos over zijn lippen:
—Als ik alles goed naga, dan, ja dan moet ik erkennen, dat mijnheer Grammont niet is als gewoonlijk! Hij heeft sommige zijner gewoonten afgeschaft en andere aangenomen, welke ik in het geheel niet kende! Zoo vroeg hij gisterenmorgen driftig waar zijn scheerwater bleef, en mijnheer Grammont heeft zich nooit zelf geschoren, zoolang mij heugt! Ik wist zelfs niet dat hij een scheermes had!
—Wat deedt gij toen?
—Wat zou ik gedaan hebben? Ik antwoordde natuurlijk, dat ik voor scheerwater zou zorgen! Het ligt niet in mijn aard, aanmerkingen te maken op het doen en laten van mijn meester!
—Maar waar haalde hij het scheermes dan vandaan?
—Er was er geen! Ik vond het bakje met scheerwater juist zoo als ik het op de waschkast had neergezet, maar steenkoud.
—En verder? Hebt gij verder niets vreemds opgemerkt? Bedenk u goed, want ik verzeker u, dat het van het grootste gewicht is!
De butler dacht ingespannen na en riep eensklaps uit:
—Juist, het was gisteren de eerste van de maand, en mijnheer Grammont wilde de bedienden zelf betalen. Dit nu is altijd mijn werk geweest, zooals in alle gegoede huizen. Ik zeide hem bescheiden, dat ik het wel doen zou, en toen gaf hij mij geld, vijf pond te weinig! Natuurlijk dacht ik, dat hij zich eenvoudig verteld had, en ik zeide het hem.
—Nog iets?
—Toen ik gisterenmiddag langs het kantoor liep, hoorde ik toevallig den boekhouder tot den procuratiehouder zeggen, dat hij volstrekt niets begreep van een order, die mijnheer Grammont hem had gegeven. De procuratiehouder haalde toen de schouders op en gaf te kennen, dat hij zelf reeds den geheelen [24]morgen met mijnheer Grammont overhoop lag. Hij meende dat er iets niet geheel met hem in orde was.
—Daaraan heb ik voorloopig genoeg, mijn vriend! Het blijft mogelijk, dat mijnheer Grammont door den een of anderen zielschok veranderd is, maar ik moet zekerheid hebben. Gij loopt in geen geval gevaar, daar zal ik zorg voor dragen. Gij hebt niets anders te doen, dan mij toe te staan, uw uiterlijk aan te nemen, en een dag, hoogstens twee dagen in uw plaats mijnheer Grammont te bedienen.
Nog scheen Dayton te aarzelen.
—Maar als gij u eens vergiste, mijnheer! Ik zou mijn betrekking kunnen kwijtraken!
—Ik vrees, dat gij dat in ieder geval zult doen, mijn vriend! Maar ik heb zeer vele en goede connecties, ik zal wel zorg dragen, dat gij geen schade lijdt! Bedenk, dat gij de justitie een zeer grooten dienst bewijst, als gij toestemt.
Nog even scheen Dayton in beraad te staan, en toen hief hij snel het hoofd op en zeide:
—Het zij dan zoo, mijnheer! Uw woorden hebben vasteren vorm gegeven aan mijn vage vermoedens! Ik ben tot uw dienst! Alleen wilde ik dit nog weten, als die man, die hier in huis de meester speelt, niet mijnheer Grammont is, wat is er dan van dezen geworden?
Een oogenblik overwoog Raffles, of hij den butler de waarheid zou zeggen, maar hij bedacht zich nog bijtijds en antwoordde:
—In ieder geval iets zeer ernstigs! Juist om te ontdekken wat het is, wil ik dezen vreemden man op de vingers zien!
—Zou het niet noodzakelijk zijn, Miss Hotspur, de huishoudster, in het geheim te nemen?
—Dat kunnen wij doen, maar het is niet volstrekt noodig. Want ik verzeker u, dat ik zoodanig uw voorkomen zal nabootsen, dat zelfs deze eerwaarde dame mij niet zal herkennen! Kunt gij niet een boodschap bedenken, die u een uur buitenshuis houdt?
—Mijnheer Grammont heeft gezegd, dat hij pas laat zou terugkeeren. Ik kan het er dus wel op wagen.
—Dan ga ik nu heen, en verwacht u binnen vijf minuten op den hoek van de volgende straat. Ik zal voor een auto zorgen.
Hij knikte den butler vriendelijk toe, en verliet het huis, om op straat een auto aan te roepen.
Hij behoefde slechts een paar minuten te wachten, totdat Dayton verscheen.
Hij had een korte overjas aan en droeg een bolhoed, zooals de meeste Engelsche bedienden van goeden huize die plegen te dragen, als zij buitenshuis komen.
Daar Raffles dit alles had voorzien, droeg hij alles bij zich, om snel en zonder al te veel opzien van uiterlijk te veranderen.
De oogen van den butler waren lichter dan de zijne, en ook niet volkomen grijs maar Grammont kende den butler te kort, om dit aanstonds op te merken.
Raffles gaf den chauffeur last, hen naar een klein hotel te rijden, op een half uur loopens afstand.
Daar bestelde hij een kamer, betaalde vooruit, en begaf zich erheen, door Dayton vergezeld.
Aanstonds pakte hij de kleine tasch uit, welke hij bij zich droeg, nam er een pruik en een aantal kleine fleschjes uit, met verschillende vloeistoffen gevuld, ontdeed zich van zijn bovenkleeren en begon zich met groote zorgvuldigheid te grimeeren.
Telkens wierp hij een blik op het gelaat van den butler, haalde hier een fijne streep, trok daar een rimpel, maakte de huidskleur lichter, door haar te bevochtigen met een kleurloos watertje en verfde zijn wenkbrauwen met een andere kleurstof, zoodat zij donkergrijs werden.
Met behulp van een zeer dunne, vleeschkleurige pleister trok hij de oogen in de buitenhoeken een weinig op, want de oogen van Dayton waren een weinig schuin geplaatst, en nadat hij een paar korte bakkebaarden op zijn wangen had geplakt, was de gelijkenis waarlijk verbluffend.
Dayton zat verstomd naar den gewaanden detective te kijken en zeide nu vol bewondering:
—Ik moet zeggen, dat gij uw vak verstaat, mijnheer! Ik heb vaak gemeend, dat het met die vermommingen maar lak was, en dat men het dadelijk moest kunnen zien, maar ik moet nu wel van die meening terugkomen!
—Gewoonte, vriend Dayton, niets dan gewoonte! gaf Raffles glimlachend te kennen. Nu nog uw overjas en uw hoed, en dan ben ik gereed! Hebt gij hier in de stad familie, naar wie gij u zoolang begeven kunt? [25]
—Ik kan naar mijn zuster gaan, mijnheer!
—Mooi zoo, dan vertrek ik nu eerst, gij wacht nog een half uurtje, en gaat dan op uw beurt heen. Op die wijze loopen wij het minst gevaar, dat men de verkleedpartij opmerkt. Hier hebt gij mijn overjas en hoed!
—Ik moet daar nu zeker zoolang blijven, tot ik bericht van u ontvang? vroeg Dayton, terwijl hij de jas aantrok, welke Raffles hem overhandigd had.
—Ja, en het zal wel minstens een vollen dag duren! Maar alles kan mij meeloopen en dan zult gij zeker met lof vermeld worden in de bladen, want dan zult gij de behulpzame hand hebben geboden bij de onthulling van.… een zeer ernstig misdrijf, meer kan ik er voor het oogenblik niet van zeggen!
De beide mannen waren nu geheel gereed, en er stonden twee Daytons in het vertrek, zoo volkomen aan elkander gelijk, wat het gelaat betreft, dat niemand het onderscheid had kunnen ontdekken, of had kunnen zeggen, wie de echte, wie de nagemaakte butler was.
Wel was Raffles, als hij zich oprichtte, bijna een decimeter langer dan Dayton, maar dit verschil in lengte wist hij meesterlijk te verbergen, door gebogen te loopen, met kromme knieën.
Hij bekeek zich nogmaals in den grooten spiegel, die in de eenvoudige hotelkamer hing, en daarop stak hij Dayton de hand toe en zeide:
—Nu ga ik! En ik hoop, u spoedig bericht te kunnen zenden. Geef mij uw adres, of liever het adres van uw zuster!
Dayton schreef het adres op een klein stukje papier en stak het Raffles toe, die het in zijn zak liet glijden.
En daarop verliet hij de kamer, overtuigde zich, dat er geen kellners in de nabijheid waren en liep haastig de trap af.
In de groote hall stonden wel eenige kellners en reizigers, maar niemand sloeg acht op hem.
Als aanstonds de echte Dayton nogmaals voorbij zou komen, dan zou men eenvoudig denken, dat hij in dien tusschentijd terug was geweest.
Raffles riep dadelijk een huurauto aan, en liet zich tot op een vijftig meter van het huis van Grammont brengen.
Daar stapte hij uit, betaalde den chauffeur en ging te voet verder.
Hij belde aan, en de deur werd geopend door een eerwaardige oude dame van ruim zestig jaar, met een grooten bril op den scherpen neus.
—Ik wist niet, dat je uit geweest waart, Dayton! zeide de dame, Miss Hotspur.
—Ik ben wat langer opgehouden, dan ik dacht, Miss! kwam Raffles, verheugd, dat hij blijkbaar aanstonds als Dayton werd aangemerkt. Neem het mij alsjeblieft niet kwalijk!
—Ik zal je zeker niet kwalijk nemen, Dayton, maar als mijnheer Grammont het merkte.…! Je weet wel, dat hij de laatste dagen van een heel onaangenaam humeur is!
—Is hij in dien tusschentijd thuisgekomen? riep Raffles met voorgewenden schrik uit.
—Dat niet, maar het zal zoo lang niet meer duren! Mijnheer eet thuis, zooals je weet!
Raffles wist er natuurlijk niets van, maar hij knikte, alsof hij er alles van begreep, en begaf zich snel naar het bediendenvertrek, om zich daar van zijn jas en hoed te ontdoen.
Het was hem nu van groot voordeel, dat hij het huis zoo goed kende, want nu zou hij zich zeker niet zoo spoedig vergissen.
Niemand van de bedienden scheen ook maar een oogenblik aan zijn identiteit te twijfelen, noch de kamerbediende, noch de kok, noch de huisknecht.
En Raffles zelf maakte geen fouten!
Als het noodig was, zou hij maanden achtereen in de deftigste huizen als butler kunnen dienen, zonder dat men reden tot klagen over zijn kundigheden zou hebben gehad!
Alles wat hij deed, was volkomen correct, en een butler met jaren praktijk zou hem niet hebben kunnen verbeteren.
Hij vergewiste zich, dat alles in de keuken in orde was, proefde van de spijzen, gaf een paar orders, en klom toen haastig naar de tweede verdieping, waar hij wist, dat zich de slaapkamer van Grammont bevond.
Snel opende hij de deur en ging binnen.
Hij trad op de kleerenkast toe en onderzocht ze haastig.
Daar hingen, keurig gerangschikt, dat was blijkbaar het werk van Dayton, alle costuums van den bankier, zijn sportjakken, zijn flanellen strandcostuums, zijn motorjekker, zijn smokings en zijn rokcostuums.
Naar een dezer laatste kleedingstukken zocht [26]Raffles, de overige konden hem voor het oogenblik minder schelen.
Hij nam een rok van den haak en begon snel maar grondig alle zakken te doorzoeken.
Hij vond echter niets, evenmin als in vest en pantalon van het costuum.
Daarop greep hij een tweeden rok en begon opnieuw zijn nasporingen.
Hij stak de hand beurtelings in de beide binnenzakken, en vervolgens in de zakken der panden.
De tweede zak bleek een weinig uitgescheurd te zijn, misschien door een zwaren tooneelkijker, want Grammont bleek nogal nonchalant met zijn kleederen om te springen.
En toen Raffles de hand door dat gat heenstak, voelde hij iets knisteren, hij haalde een opgevouwen briefje te voorschijn.…
Het was van zacht ivoorkleurigen tint, en rook sterk naar viooltjes.
De korte inhoud, met potlood geschreven, luidde als volgt:
—Lieve Austin! Ik wil je alles vergeven, ik wil alles vergeten, en geld wil ik ook niet hebben! Ik wacht je vanavond, na afloop van de voorstelling op den hoek van het spoorwegdepôt in Paddington. Twaalf uur! Ik heb je lief! Je Nelly.
Raffles liet het briefje haastig in zijn zak glijden en hing den rok weder weg.
Terwijl hij dit deed, ging de deur open en Grammont verscheen op den drempel.
Hij bleef even staan waar hij stond en vroeg toen:
—Wat voer je daar uit, Dayton?
Raffles meende wantrouwen in de stem te hooren.
Hij had zich spoedig van zijn schrik hersteld en antwoordde onderdanig:
—Ik wilde mij even overtuigen, dat de rokcostuums van mijnheer in orde zijn, ik meende mij te herinneren, dat er een gat was in een der achterzakken van uw besten rok.….
Grammont keek den gewaanden butler strak aan, en Raffles meende op te merken, dat zijn oogen snel achter elkander eenige malen knipten, als van iemand, die eensklaps van de duisternis in het licht komt.
Toen zeide de bankier:
—Laat dat maar! Je behoeft niet zoo bijzonder ijverig te zijn! Doe dergelijke dingen als ik het je beveel, en anders niet! Begrepen?
Raffles maakte een zwijgende buiging en sloot de kast.
—Mijnheer eet thuis?
—Waarvoor dacht je, dat ik anders hier kwam? zeide Grammont norsch. Haast je maar wat! Ik heb een afspraak voor hedenavond.
—Ik zal zeggen, dat de kok zich moet reppen, mijnheer! hernam Raffles en hij verliet in gebogen houding het vertrek.
Maar op de mat voor de deur stond hij even stil en bromde voor zich heen:
—Dat verloren briefje, dat vodje papier, dat je over het hoofd hebt gezien, kon je wel eens aan de galg brengen, mijnheer de Onbekende!
Hij ging weder de trap af, en nam in de vestibule de telefoon van de haak.
Hij liet zich in verbinding stellen met het kleine hotel, waar hij Dayton had achtergelaten en verzocht den portier den butler aan het toestel te roepen.
En daarop ontspon zich het volgende, korte gesprek.
—Ik ben het, Dayton, je vriend van zooeven! Zeg mij eens spoedig, of mijnheer Grammont kennis heeft aan een of andere dame, waarschijnlijk een artiste, die Nelly heet!
—Ja zeker, mijnheer! Maar dat is al een paar maanden uit, als ik mij niet vergis, die jonge dame maakte heel wat geld stuk en met haar trouw was het niet bijzonder gesteld!
—Maar mijnheer Grammont hield zeker zeer veel van haar?
—Hij was gek met haar! Wel drie keeren heeft hij haar gesmeekt, het toch weer goed te maken! Dan bleef zij hem ook weer een tijd trouw, maar lang duurde het nooit!
—Kun je mij zeggen, of mijnheer Grammont op den dag van de inbraak een brief van haar heeft gekregen?
—Laat eens even zien, ja, dat is wel mogelijk! Omstreeks vijf uur in den middag kwam een man, die er wel wat als een tooneelknecht of iets dergelijks uitzag, een briefje brengen.
—Hoe zag het er uit?
—Langwerpig, ivoorkleurig … en het rook sterk naar viooltjes, naar ik mij meen te herinneren. [27]
—Ik dank je, Dayton, dat is voorloopig voldoende! Blijf maar trouw op je post, ik kan je zeggen, dat alles goed gaat, in dien zin, dat ik aan den vooravond sta, een zeer zwaar misdrijf aan het licht te brengen!
Raffles hing het toestel weder aan den haak, en bemoeide zich nu uitsluitend met het middagmaal.
En zoo voortreffelijk vervulde hij zijn rol, dat de overige bedienden, noch de heer des huizes, noch de huishoudster, ook maar een seconde aan zijn waren aard twijfelden.
Grammont at vlug, en scheen in gedachten verdiept, ofschoon Miss Hotspur nu en dan een poging waagde, een gesprek aan te knoopen.
Maar tegen het dessert zeide Grammont eensklaps:
—Luister eens, Miss Hotspur! Ik moet morgen op reis, het zal wel een verre reis worden, ik denk Indië of Australië, ik weet het nog niet zeker. In ieder geval blijf ik minstens een half jaar weg!
—Lieve hemel, mijnheer, hoe komt u daar zoo ineens op, riep Miss Hotspur uit, terwijl zij de handen van verbazing in elkaar sloeg.
—Het is een inval van mij! antwoordde Grammont ongeduldig. Ik had het al lang moeten doen, ik wil daarginds een paar zakenvrienden gaan bezoeken. Wat u betreft, gij kunt natuurlijk hier blijven, maar als gij liever naar uw ouders gaat.…
—Mijn ouders? herhaalde de huishoudster en haar oogen werden vochtig. Is u dan nu reeds vergeten, dat de goede oudjes op denzelfden dag om het leven zijn gekomen, een half jaar geleden?
Grammont bromde iets, dat op een verontschuldiging moest lijken, en wierp zijn servet naast zich neer.
Hij stond op, haalde zijn sigarettenkoker te voorschijn, en vervolgde, als terloops:
—Wat de bedienden aangaat, zij kunnen wel zoolang verlof nemen, en als hun dat niet schikt, dan houd ik hen niet tegen, wanneer zij elders een andere betrekking kunnen krijgen!
—Het klopt! het klopt alles als een bus! mompelde Raffles zachtjes voor zich heen. De schurk wil zich maar het liefst ontdoen van allen, die Grammont goed gekend hebben! En die reis is ook goed bedacht! Op die manier vergeet men de inbraak en de rest! Maar John Raffles is er ook nog, mijnheer Grammont, of wie je dan zijn mag!
De bankier had het vertrek reeds verlaten en een oogenblik later hoorde Raffles hem bezig in zijn slaapkamer.
Hij stond even te luisteren, en daalde toen naar het bediendenvertrek af.
En onderweg maakte hij bij zichzelf de opmerking:
—Als de kerel werkelijk morgen op reis wil gaan, dan is het tijdstip om handelend op te treden, aangebroken. [28]
Den volgenden morgen, toen het nauwelijks negen uur had geslagen, hield een huurauto stil voor het huis in Harrow Road.
Daaruit stapte een man met een gebruind intelligent gelaat, die een klein reisvalies in de hand hield.
Hij rekende met den chauffeur af en trad op de huisdeur toe.
Raffles bevond zich toevallig in de vestibule, daar hij de gangen van het wild tot iederen prijs wilde nagaan, en daarom opende hij de deur.
Hij keek wat verbaasd naar den heer in het reiscostuum, die op de stoep stond, en vroeg:
—Wat is er van uw dienst, mijnheer?
—Wat is dat nu, Dayton, ken je mij niet meer? riep de bezoeker lachend uit. Kom, kom, zoo ben ik toch niet veranderd! Zeg maar spoedig aan mijnheer, dat ik er ben!
—Maar mijnheer Grammont is nog niet eens opgestaan! gaf Raffles te kennen.
—Dan zal ik hemzelf wel gaan wakker maken! hernam de ander. Voor zijn eigen broeder zal hij toch wel geen bezwaren maken! En vooral niet, als die hem in zes jaren niet gezien heeft!
—Zijn broeder! herhaalde Raffles, een stap terugwijkend.
—Vindt je dat zoo verwonderlijk, hernam de bezoeker, op zijn beurt verbaasd. Je kent me dus inderdaad niet meer?
In plaats van op deze vraag te antwoorden, trok Raffles den broeder van Grammont tot diens groote verwondering in de vestibule, sloot de deur en voerde hem haastig naar een kleine zijkamer.
Toen begon hij met gedempte stem:
—Luister mijnheer Grammont! Ik ben Dayton niet! Ik neem slechts zijn plaats in, ik ben een particuliere detective.
De ander slaakte een kreet van ontsteltenis en verbazing, en riep toen verschrikt uit:
—Wat moet dat beteekenen? Wat is er dan gebeurd? Ik kom zooeven van het station na zes jaren in Bombay te zijn geweest en ik weet van niets. Waarom is u hier als detective in het huis van mijn broeder?
—Uw broeder, mijnheer, moet ik vreezen, behoort niet meer tot de levenden! zeide Raffles op zachten, ernstigen toon.
—Wat zegt gij daar! riep Grammont uit, terwijl hij verbleekte en Raffles bij den arm greep. Wat is er dan met hem geschied?
—Ik vrees, dat hij vermoord is, en dat de man, die het deed, hier thans als Austin Grammont in dit huis vertoeft!
De bezoeker liet zich op een stoel neervallen en staarde ontzet voor zich uit.
Een tijd lang heerschte er stilte in het vertrek.
Toen hief Philip Grammont plotseling het hoofd op, en zeide:
—Hoe is dat mogelijk? Iedereen moet dat bedrog dan toch dadelijk gezien hebben, tenzij.…
—Tenzij de moordenaar trek voor trek op Uwen broeder geleek, vulde Raffles den zin aan.
Eensklaps gaf Philip Grammont een schreeuw en riep, bleeker dan een laken:
—Dan weet ik, wie het geweest moet zijn! Ik zal het u zeggen, ik heb zes jaren in Bombay gewoond en daar ontmoette ik een paar jaar geleden, bij toeval op een groote bijeenkomst een man, die zoo sprekend op mijn broeder geleek, dat ik zelf mij zou hebben vergist en hem bijna zou hebben aangesproken. Zijn naam kwam voor op de lijst van sprekers van dien avond, hij heette Gordon Finn, en toen ik hem op het podium zag staan, was de gelijkenis nog sterker, zoo sterk, dat ik waarlijk een oogenblik meende, dat mijn broeder, de hemel mag weten om welke redenen, onverhoeds uit Londen naar Bombay was gekomen, om daar, onder een aangenomen [29]naam, een redevoering te houden op een politieke vergadering. Ik verloor den man echter uit het gezicht en ik heb daarna nooit meer iets van hem gehoord.
—Dan is er toch iets onbegrijpelijks, hoe is het dan mogelijk, dat die man van het bestaan van een dubbelganger hier te Londen afwist? Het zou wel zeer toevallig zijn geweest, als hij juist daarna naar Londen was vertrokken en in die korte spanne tijd uw broeder had gezien.
Met de vuisten tegen het voorhoofd gedrukt, dacht Philip Grammont een oogenblik na, en riep toen uit:
—Ja, zoo kan het geweest zijn! Ik herinner mij nu zeer goed, dat mijn broeder mij omstreeks een jaar geleden, een zeer bekend Londensch tijdschrift toezond, het welk ook veel in Bombay wordt gelezen, en waarin op de voorste pagina een bijna levensgroot portret van hem voorkwam, ik geloof, naar aanleiding van het feit, dat hij als president van de Economische Vereeniging was benoemd.
—Dat zou veel ophelderen! hernam Raffles. De moordenaar, Gordon Finn, kan dat portret zeer goed hebben gezien achter het raam van een boekwinkel, hij heeft uit het korte onderschrift kunnen nagaan, dat uw broeder zeer rijk was, en toen was zijn plan gemaakt!
—Maar hoe weet gij dit alles, wat is er dan met mijn broeder geschied? Wanneer is hij gedood? Zijt gij de eenige, die het weet of vermoedt?
—Tracht bedaard te blijven, mijnheer Grammont dan zal ik u alles mededeelen, zeide Raffles.
En nu verhaalde hij den man, die door het noodlot naar de plaats scheen te zijn gevoerd, waar zijn broeder door moordenaarshand was gevallen, alles wat den lezer reeds bekend is, natuurlijk zonder zijn waren aard te verraden, en terwijl hij zich uitgaf voor particulier detective.
Hij verzweeg niets, noch de nachtelijke rit van den gewaanden Grammont, met het geheimzinnige valies, noch het vreemde optreden van Sherif, den terrier, noch de vergissing, welke de moordenaar had begaan, en ook niet het briefje van de variété artiste, dat hij in den uitgescheurden zak van het rokcostuum van Austin Grammont had gevonden.
Maar één ding was er, dat hij niet verried, en dat was de eerste aanleiding tot zijn wantrouwen, het feit, dat de gewaande Grammont aan de politie had verklaard dat hij in den nacht van de inbraak thuis was geweest.
Toen Raffles zijn verhaal beëindigd had, bleef Philip Grammont eenigen tijd onbeweeglijk zitten, met het hoofd in de handen gesteund.
Maar toen sprong hij op, en riep op woesten toon:
—Is die ellendeling niet hier?
—Ja, hij is in zijn slaapkamer, hij wilde hedenmiddag op reis gaan, naar Australië of Indië.
—Dan ga ik aanstonds naar hem toe, ik sla hem op de plaats dood.
En reeds ijlde hij naar de deur, maar Raffles trad hem in den weg en greep hem bij den arm.
—Laat die daad aan de justitie over, zeide hij op ernstigen toon. Ondanks alles zouden wij ons wellicht nog kunnen vergissen! Ik verzeker u, dat hij ons niet zal ontkomen, maar eerst moeten wij al de mogelijke bewijzen bijeen zamelen, dat is slechts een kwestie van eenige uren, en de schurk zal geen voet verzetten, zonder dat ik hem naga, of laat nagaan.
—Goed, ik zal nog een paar uren geduld oefenen! gromde Philip Grammont. Zorg gij slechts voor de bewijzen, dat is uw taak.
—Ik zeide u reeds, dat het gelaat van den doode door slaan met een ijzeren staaf, zoodanig was misvormd, dat het volstrekt niet meer te herkennen viel, maar gij zijt de broeder van het slachtoffer. Misschien weet gij wel een herkenningsteeken!
Philip Grammont dacht slechts even na en riep toen uit:
—Ja, er is er één! Austin is als jongen eens door een kameraadje met een pennemes bij ongeluk in het hoofd gestooten. De wonde maakte een groot litteeken, dat echter door het hoofdhaar bedekt werd. Het litteeken moet zich aan de rechterzijde van het oog bevinden, schuin boven het oor!
—Dan zullen wij dat dadelijk gaan onderzoeken, mijnheer Grammont. Ook zullen wij den terrier halen, zoo mogelijk den chauffeur van de huurauto met het nummer N. L. 3717, die dien man gereden heeft, en als hij dan nog ontkend, zouden wij de politie te Bombay in den arm kunnen nemen. Ik zal een mijner helpers hier telefoneeren, en als die hier eenmaal is, dan ontkomt Gordon Finn niet meer, daarvan geef ik u de verzekering. Wacht een oogenblik, dan zal ik telefoneeren.
Even later stond Raffles aan het telefoontoestel en sprak met Charly en Henderson.
Zij moesten beiden met den terrier in een van de [30]kleine auto’s tot dicht bij het huis te Harrow Road rijden, goed acht geven op de voordeur van het huis, en in geen geval toestaan, dat Grammont zich naar een of ander station begaf. Mocht hij dit inderdaad doen, dan moesten zij de politie waarschuwen, die dan aanstonds tot arrestatie kon overgaan. In het tegenovergestelde geval, dus als de moordenaar het huis niet verliet, moesten zij rustig wachten op de komst van Raffles en den broeder van het slachtoffer.
Toen dit alles geregeld was, wendde Raffles zich tot Philip Grammont en zeide:
—Ik moet voorloopig hier blijven, ten eerste om geen argwaan te baren, en vervolgens om den man, die hier nu is, in het oog te houden, totdat mijn helper mijn plaats inneemt. Gij kunt u in dien tijd naar Scotland Yard begeven en daar verzoeken dat men het hoofdhaar van den vermoorde afscheert, zoodat men zich kan overtuigen, of het litteeken werkelijk aanwezig is. In dat geval is iedere twijfel natuurlijk buitengesloten. Maar let nu wel op. Gisteren zijn er twee zoogenaamde provincialen geweest met den terrier om namens een gewaanden neef te Orpington het lijk te identificeeren. Een van die provincialen was ik. De hond jankte bij die gelegenheid erbarmelijk, reeds toen was ik er zeker van, dat hij zijn meester herkende. Gij kunt dat alles daarginds mededeelen, zij zullen wel begrijpen, waarom ik die rol speelde. Als particulier detective stel ik er natuurlijk prijs op de officieele politie een vlieg af te vangen.
—Ik zal doen, zooals gij mij voorschrijft, en ik dank u voor Uwe bemoeiingen! Later zullen wij dat alles wel regelen, naar ik hoop!
—Dat heeft volstrekt geen haast, mijnheer Grammont, zeide Raffles met een zonderlingen glimlach, en ga nu spoedig, hij mag in geen geval vertrekken vanmiddag.
—Welk een terugkomst, zeide Philip Grammont met een smartelijken zucht. Wij hadden niemand dan elkander op de wereld. Met opzet had ik mijn broeder niet gewaarschuwd, om hem te kunnen verrassen!
Hij nam zijn hoed en ging het vertrek uit, na Raffles de hand te hebben toegestoken.
—Neem ook uw valies mee, hij mag niet weten, dat hier iemand geweest is. En wacht totdat ik mij heb overtuigd, dat alles veilig is.
Hij betrad het eerst de vestibule, en wenkte toen den bezoeker, die haastig de vestibule overstak, de voordeur opende en Raffles nog eens toeknikte en haastig verdween.
Door de deur zag Raffles hoe hij een huurauto aanriep, instapte en wegreed.
Aan de somberste gedachten ten prooi, zat Philip Grammont in een hoek van de huurauto gedoken.
Het was hem goed gegaan in Bombay en hij hoopte de rest van zijn leven in Engeland te kunnen doorbrengen, in gezelschap van zijn broeder, voor wien hij altijd een groote genegenheid had gevoeld.
Verheugd en opgewekt had hij zich van het Victoria Station naar het groote huis in Harrow Road laten brengen, en daar werd hij door zulk een vreeselijke tijding ontvangen.
Hij was volstrekt niet op de hoogte van wat er geschied was, want een dag geleden was hij nog op zee.
Hij keek op, toen de auto stilhield voor het sombere gebouw in Downing Street, stapte uit en beval den chauffeur te wachten.
Door den dienstdoenden agent liet hij zijn kaartje naar den hoofdcommissaris brengen, even later stond hij tegenover dezen beambte.
Hem werd een stoel aangewezen, maar Philip Grammont bleef staan en zeide op doffen toon:
—Ik zal u niet al te lang lastig vallen, mijnheer, ik wilde gaarne het lijk zien van den man, die eergisterennacht geheel ontkleed en met vreeselijke hoofdwonden op het spoorweg-emplacement van Paddington is gevonden.
De hoofdcommissaris schudde het hoofd en zeide:
—Het spijt mij mijnheer, maar ik meen als zeker te mogen aannemen, dat gij een vruchteloos bezoek komt brengen. Er zijn reeds een paar lieden uit de provincie geweest met een hond, en er was geen sprake van of het dier herkende het lichaam. Wij verwachten ieder oogenblik den broeder van het slachtoffer.
—Ik ben de broeder van den doode, mijnheer, hernam de man op schorren toon. En de terrier was zijn eigendom. De lieden, die hier gisteren geweest zijn, waren particuliere detectives.
En nu deelde de ongelukkige man aan den hoofdcommissaris mede, wat Raffles hem zooeven had verteld.
Deze had aandachtig geluisterd, maar nu vertoonde [31]zich een trek van ongeduld op zijn gelaat, toen hij zeide:
—Die heeren van den particulieren detectivendienst gaan altijd heel geheimzinnig te werk, naar het schijnt, zij trachten ons altijd een hak te zetten. Ik moet echter erkennen, dat in dit bijzondere geval, uw zegsman het wel eens aan het rechte eind kon hebben! Maar kunt gij mij heelemaal geen herkenningsteeken opgeven?
—Boven het rechteroor, door het haar verborgen, heeft mijn broeder een ruitvormig litteeken! Hij kreeg het als jongen van twaalf jaar en toen hem op dertigjarigen leeftijd zijn hoofdhaar wegens een hersenaandoening totaal moest worden afgeschoren, bevond dat litteeken er zich nog steeds.
—Wij zullen het aanstonds zien, mijnheer, hernam de commissaris kortaf.
Dadelijk nam hij het telefoontoestel ter hand en bestelde den barbier, die steeds voor dergelijke lugubere werkjes disponibel was.
Tien minuten later was de man ter plaatse, en gezamenlijk begaf men zich naar het lijkenhuisje, waar het lichaam van den doode nog altijd op de steenen tafel lag uitgestrekt.
Doodsbleek, met gebalde vuisten, bleef Philip Grammont op den drempel staan, terwijl de barbier vlug het hoofdhaar aan de rechterzijde begon af te knippen.
Vijf minuten verliepen, en toen boog de commissaris zich over het hoofd van den doode heen, en zeide op gedempten toon:
—Daar is het litteeken!
Met een kreet wierp Philip Grammont zich naast het stoffelijk overschot en barstte in hartstochtelijk snikken los.
Een oogenblik liet hij aan zijn smart den vrijen loop, maar toen sprong hij op en riep op woesten toon:
—Ik weet wie de moordenaar is, mijnheer! Ja, het kan niet anders! Ik weet ook waar hij is! Kunt gij mij niet met eenige manschappen vergezellen?
En nu zette hij in kort afgebeten, nu en dan verwarde zinnen uiteen, wat hem een half uur geleden ervaren was.
Met de grootste aandacht had de hoofdcommissaris toegeluisterd, en toen de ongelukkige broeder zweeg riep hij uit:
—Ik zal u dadelijk een inspecteur en twee man meegeven, voorzien van een bevel tot inhechtenisneming.
Als alles zich inderdaad zoo heeft toegedragen, als die particuliere detective zegt, dan valt er niet aan te twijfelen, of de man, die daar nu in het huis is, moet de moordenaar zijn.
Hij gaf snel eenige bevelen, en een oogenblik later reed Philip Grammont weder naar het huis in Harrow Road terug, thans in gezelschap van een inspecteur van politie en twee rechercheurs.
Op vijftig pas afstand van het bankgebouw stond een kleine auto te wachten, achter welk stuurwiel een man van reusachtigen lichaamsbouw gezeten was, het was Henderson, de trouwe helper van John Raffles die daar met het geduld van een kat op zijn post was, in gezelschap van Charly Brand, die voortdurend het huis in het oog hield.
De jonge man glimlachte, toen hij de auto zag voorbijrijden en stilstaan voor de deur van het groote huis.
Hij had den hem welbekenden hoofdinspecteur herkend.
Hij boog zich even voorover in den open wagen en zeide op zachten toon tot Henderson:
—Ik geloof, dat wij wel rechtsomkeert kunnen maken, Henderson, zij zullen het alleen wel afkunnen. Maar wij zullen toch eens wachten of zij met het wild weder te voorschijn komen.
Intusschen waren de politiebeambten en Grammont snel uitgestapt en op de voordeur toegetreden.
Raffles had zeker op den uitkijk gestaan, want de voordeur werd dadelijk geopend en de gewaande butler liet hen binnen.
Hij wendde zich dadelijk tot den inspecteur van politie en zeide op zachten toon:
—Hij is in zijn slaapkamer, ik geloof, dat hij bezig is met zijn haar te verven, voor zoover ik door het sleutelgat heb kunnen zien. Ik zal u den weg wijzen, maar maak geen leven, want een man als hij is tot alles in staat. Ik zal met een voorgewende boodschap naar hem toegaan en als de deur eenmaal open is, volgt de rest vanzelf. Mocht hij evenwel niet opendoen, dan zal ik u langs een anderen weg naar het breede balcon voeren, dat over een groot gedeelte langs den voorgevel loopt, en gij kunt dan de balkondeuren wel indrukken.
Sluipend gingen de vijf mannen de trap op.
Op de eerste verdieping kwamen zij Miss Hotspur [32]tegen, die een kreet van verbazing bijna niet kon onderdrukken, toen zij aangevoerd door den butler, de vijf mannen zag naderen.
Maar Raffles nam haar terzijde en beet haar toe:
—Geen geluid, wat ik u verzoeken mag! Ga maar naar beneden, gij zoudt ons hier maar in den weg loopen.
De huishoudster was zoo verbluft, over deze zonderlinge bejegening, dat zij als Lot’s huisvrouw stokstijf op dezelfde plaats bleef staan en met open mond het groepje nastaarde, totdat het om den hoek van de trap verdwenen was.
Daar gekomen, legde Raffles den vinger op den mond en zeide zoo zacht, dat het bijna niet te hooren was:
—Druk u nu zoo dicht mogelijk tegen den muur, totdat de deur open is.
Vervolgens begaf hij zich, gewoon loopend, en zijn keel schrapend, zooals hij dit ook bij Dayton had opgemerkt, naar de deur van de slaapkamer, klopte aan en zeide:
—Een telegram voor mijnheer.
—Schuif het maar onder de deur door, kwam het norsche bevel.
Dat was lastiger, maar Raffles liet zich niet zoo spoedig vangen.
Hij deed alsof hij poogde iets onder de deurreet door te schuiven en zeide toen:
—Het gaat niet, mijnheer.
—Leg het dan maar op de tafel in mijn werkkamer.
Dat was alweer een streep door de rekening.
Raffles keerde op zijn schreden terug, en bracht de politiebeambten langs een zijgang naar de groote biljartzaal, waar hij het balkonraam opende, en toen zeide:
—Dit is het balcon, het is het derde raam, dit medegerekend. Ik zelf zal teruggaan en bij de gangdeur post vatten, als hij daardoor soms mocht trachten te ontsnappen.
Terwijl Raffles over de breede gang terugsloop, verdwenen de politiebeambten langs het balcon.
Hij kon nog nauwelijks eenige tellen zijn post voor de deur hebben ingenomen, toen het geluid van brekend glas zijn oor trof, gevolgd door een luiden, op heeschen toon geuiten vloek.
Dadelijk daarop kraakte een schot, en daarop volgde het geluid van een worsteling.
Raffles draaide aan de kruk van de deur, zij was gesloten.
Hij haalde zijn bos loopers te voorschijn en had in een oogwenk het slot geopend.
Toen hij binnentrad, zag hij een verwarde kluwen menschenlichamen over den vloer heen en weer rollen.
In een hoek van het vertrek lag een agent, zwaar gewond door een schot in den arm.
De moordenaar was een krachtig en gespierd man, en hij begreep, dat hij voor zijn leven vocht.
Hij wierp de twee mannen, met wie hij worstelde, herhaaldelijk van zich af, maar de inspecteur was zelf een gespierd man en toen hij er in slaagde, den rechterarm van Gordon Finn op zijn rug te wringen, toen was de strijd beslist.
Er klikte iets met metalen geluid en de moordenaar staarde als verwezen op zijn geboeide polsen.
Toen haalde hij met een cynisch gebaar de schouders op en zeide:
—Gij zijt de sterkste geweest, ik geef mij gewonnen! Als die vervloekte gelijkenis er niet geweest was, dan zou het hiertoe niet gekomen zijn. Ik denk.….. dat nu de galg wel het einde zal zijn.
Gordon Finn had goed geraden, drie weken later werd hij door de Jury tot den strop veroordeeld.
De volgende aflevering (No. 345) bevat:
DE BANKROOVERS.
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.
De volgende 114 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
| Bladzijde | Bron | Verbetering | Bewerkingsafstand |
|---|---|---|---|
| 1 | [Niet in bron] | , | 1 |
| 1, 1, 14, 17, 32 | [Niet in bron] | . | 1 |
| 2 | gebruikt | gebruik | 1 |
| 2, 32 | billardzaal | biljartzaal | 2 |
| 4, 5, 9, 12, 15, 19 | fox-terrier | foxterriër | 2 / 1 |
| 4 | bankbilletten | bankbiljetten | 1 |
| 5 | „ | [Verwijderd] | 1 |
| 5, 5, 26 | ” | [Verwijderd] | 1 |
| Passim. | buttler | butler | 1 |
| 6 | édities | edities | 1 / 0 |
| 8 | billardkamer | biljartkamer | 2 |
| 8 | opplossing | oplossing | 1 |
| Passim. | U | u | 1 |
| 9, 10, 11, 11, 25, 27, 28, 29, 29, 29, 30, 31 | Uw | uw | 1 |
| 10 | [Niet in bron] | ? | 1 |
| 14, 31 | [Niet in bron] | — | 1 |
| 14 | [Niet in bron] | : | 1 |
| 14, 24 | . | ? | 1 |
| 16 | .. | [Verwijderd] | 2 |
| 18 | ernstig | ernstige | 1 |
| 18 | tehuis | thuis | 1 |
| 24 | zorgdragen | zorg dragen | 1 |
| 25 | Dan | dan | 1 |
| 26 | spoorwegdepot | spoorwegdepôt | 1 / 0 |
| 26 | rokcostumes | rokcostuums | 2 |
| 28 | Zij | Zijn | 1 |